75
Even na 't schemeruur hadden ze d'r weer geknauwd, waren׳, ze 'r weer op 't lijf gevallen met vergeet-dingen.
En Guurt had 't hardst meegekrijscht, blind voor d'r smart״ zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging 'r 'n lijm'rige verbinding van woorden door 't hoofd, suizelde en spande 't overal in 'r, hoorde ze geruisch, verdoffend om 'r héén״ van stemmen en aldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens, diep in 'r ooren. En telkens slokte ze gulziger 'r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die 'r niks zei, niks verweet, niet aan 't schrikken maakte.
Paf-rust loomde 'r weer in 't kamerke, waarin de dingen״ boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in 'n dwarshoek, schuintjes, 'n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje״ omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lak-zwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en 't plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed pootwerk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo's, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde 'r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op 'n stoel lag. In 'n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde 't van portretten״ op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde 'n korf met tortelduifje״ dat uit z'n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.