74
uitgeschulpt en bepuist, naast 'n nikkel komfoortje, vuil-ver-brand of pracht-blinkend.
— Skenk main nog wa' leut, snorkte Piet tegen Guurt, met 'n bons z'n kopje op tafel dreunend.
— Nou, lachte Guurt, jai hep t'met 'n dam lait.... se kenne d'r puur 'n spaiker op je moag glaikkloppe.... wat 'n pens !..
— Kaik die, waa't hekkepunter.... wat 'n bemoeial, sou je d'r nie 'n druil om d'r hoet ketse 1....
Vlug, lacherig nog om Piet's vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door 't kamerke, dat sufte in z'n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z'n koperslagwerk, zacht öpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van 'n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wij er open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z'n slingergang.
Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z'n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in 'r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op 'r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D'r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-krulde steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker 'r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze 'n slok koffie in, dat 'r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van 'r vettig schortje.
Tranen pinkelden plots in 'r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om 'r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om 'r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde.