72
met z'n schoften schurkend tegen den muur,.... suinigies an.... suinigies an.... goan se gangetje.... se gangetje....
Ouë Gerrit was heelemaal klaar met melken, 't viel 'm nog mee. Niks meer noodig, voor se aige 'n paar kan, en de rest veur de venter. Nou g'n zorg meer an z'n kop.... 't potloodje zat er.... stilletjes. —
Twee koebeesten was genog, tege Maart moste ze tug weer weg----
Met woede-woelingen boorden de koeien hun snoeten in 't hooi, zoekend naar lijnkoek, die komen moest. Dirk had er al 'n paar uit den dorsch gehaald, waar ze half lagen te broeien naast de voerbieten, op 'n berg. Vóór de drinkgang zat ouë Gerrit op z'n knie, naast 'm 't lampje, tusschen beschot en voor-loop, nauw opgedrongen. De grillig vlekkerige koekoppen sloegen wilder hun ringen tegen de rempalen dat 't echo-bonkte. Zwaar-woest en gretig stonden hun oogbollen, donker, vol lust, en van uit hun geketenden neergedrukten stand; wrongen de koppen zich öp, in wild geronk besnuffelend de halfduistere handen van den Ouë. —
In brokken duwde ie de lijnkoeken in hun vadsige, lebberende kwijlbekken, of liet ze vallen tusschen het hooi. Woelig omwolkten de beesten dan den dorren stapel, in woest gesnuffel. Toen de koek op was sneed de Ouë de bieten in groote blanke plakken, ze tusschen het voer werpend. Gretiger gulzigden de donkere koppen in rauw-raspend geslik. Lijf-wasem sloeg overal van de beesten af, en hun bekken dampten zwaar. Vocht droppelde langs het beschot, warm-broeiend, tot vèr van de dieren af. Woest bleven ze omlekken de donkere handen van den Ouë, die in z'n hoek, geknield, suffig ze zat te bekijken, niet meer denkend om z'n beesten, alleen, stil-zalig, en roezerig na-genietend, om wat ie weer zou te zien krijgen vannacht. En nou, in die warmte, oog-soezend in 't dunne licht-straaltje, viel 'm ineen in, 't heele tooneel. Hoe hij had gestaan, de notaris, en hoe raak z'n greep was geweest, met al dat zand en die rotte bladeren.
Guurt kwam de melktesten aansjouwen, die in hun lichtig