70
Guurt was juist weer met pompstraal ringkinkend, ingedreund. En weer holde Piet speelsch op Dirk aan, vlak bij 't lampje springend, dat z'n kop scherp-zwart weer troniede op den licht־ schemermuur. Plots gaf Dirk onder jolig geschater van Piet en Guurt, z'n broer 'n feilen tik op z'n schoften, dat die woest achteruit sprong, met z'n gezicht naar de stalraampjes, en z'n hoofd-silhouet weg-reusde als angstige goliath-kop. Maar méé trok Dirk, die lui zich sleideren liet met z'n beenen in mestvuil, naar 't hoekje van Guurt toe, waar ze zingend en lach-scha-terend, bek־af, met geweld neerstommelden.
Guurt had aldoor éven gekeken, was met 'r hoofd, voorover bukkend in boen en emmergeploeter, tegen blauw-rood van steenen voorgang, soms net te zien geweest in zwak schijnsel, schimde dan plots weg, klomp-klepperend naar keuken, om met nieuwen boenrommel in 'r handen, weer den stal in te donkeren, — want 't liefst was ze bij lolligen Piet. Piet, ongedurig, jongen van negentien met botten van rijpen kerel, wou alles aanraken, belollen.
Als ze niet werkten de kerels, zoo in den wintermiddag al, wisten ze met hun leege handen geen raad. Dan stonden ze, uren achtereen, te gapen, te rekken, te smoken, de lange winteravonden verzeurend, tegemoet; avonden, die, als ze niet kaartten of dronken, slakkerig-langzaam over hen heenkropen. Maar stoeilol kwam meestal los in broeiend warmen stal, met dien prikkelenden ammoniak-geur, 't zoetige hooigeurige onder den heeten diepen stank van uitwasemende dieren.
't Was onbewust, alsof eigen natuurdrift losgromde, in geilen vechtlust, als voor hen, de opene natuurlijkheid der koeien in vreten en ontladen, zich schaamteloos opgulzigde en weer uitplompte. —
— Seg, skarreloarster, hai je t'met je vraier op sterk woater zet, 'k hep ie sien.... f'rdomd.... met die blaike stadsmuil van 't staa'thuijs.
— Daa's jokkes, stem-gilde Guurt uit hoek-donkerte de stal in, onder zwaar geboen, uit 't duister te hooren, op rinkelige emmers.