69
ze vastgetouwd snoerden aan rempaal, echo'de het gebonk doffer door de licht-schemering.
Wemelende reuze-gestalten schaduwden door elkaar, toen de Ouë opstond, strammig van z'n melkblok, z'n vette vuile vingers beschuimd afdoopte in de ketels, Dirk en Piet vlak voor het lampje elkaar over groep en achtergang speelsch-woest heentrokken. Scherp-zwarte profielen, dan klein omgetrokken en zuiver-gelijkend, dan grof-vage, achteruit verbleekende monsterlijke boerentronies onkenbaar, vervluchtigend ijl, op vuil-wittigen kalkmuur. Koppen braken of zwollen, als de kerels in wilden stoei vooruitsprongen, in vlakke, verdeukte schedelbobbels, tegen bruin-morsig beschot. Groote neuzen, flauw, en zware goliath-handen, ijlden schimmig over den wand, boven bultige silhouet-schonken van koe-beesten. Zoo holde, warrelend en wemelend, een donker spel van schimmen ■op vale muurbleekte, en de kerels zélf, zwak-geel belicht, met ־verduisterde tronies, grof-knuisterig, adem-ingeperst, hijgden uit, in de stal-duistering, stoeiend over de dampende groep.
— Jullie laikt kinders, driftte midden in de Ouë, — neem jai mestkep en kuil wat an.... 't loopt er 'tmet over.... een-moal.... andermoal.
In de voorgang stond Piet te gichelen tegen Guurtje die zenuwachtig haastig doende was in keuken en achterend.
— F'rslik je 'r nie an, Dirk.... de Ouë söanikt.. .. hep puur tait tut mur'ge .... nou .... mi stróói-oafend !....
Vlak op den kruiwagen liep ie aan, z'n adem, als gouën stoom, fel beschenen door lamplichtstraaltje, tegen achterlijven van koeien opblazend. Z'n gladde komieke kop rimpelde wreed en zijn mond, donker open, boorde duistere schaterlachen, snorkend door den stal. Een narocheling van lol, barstte z'n strot uit. Danserig sprong weer z'n grof-komiekige boerentronie in scherp silhouet op vuilen muur. Dirk bleef staan, lijzig, lachloos.
— Hep tait tut murrige, schaterde Piet weer, krullend met .z'n lippen als 'n nijdige aap.
— Daa's net, terug-deunde met luie stem Dirk.
— Daa's nèt, bauwde Piet na.. .. je suster....