6i
wust van hun rossige kleur-huivering, die wonder-diep em vizioenig gezichten en handen, vergroeien liet in vreemd, avond-goud; alles rondom, dan plots donkerend verdween, in zijweggetjes buiten brand-kaatsing. Het verweerde poortje stond even dan in gloed, als burcht-ingang, geheimzinnig vergroot, met achter zich, spitsen en tinnen in duisteren glimsels. En van overal kropen in rosse schijnsels de straatkrotjes bijéén, fel in vuurlijn afgestreept tusschen hevige schaduwen op kei en grond, angstig en ontzaglijk van geheim-kleurig duister.... Tot plots de smidse stil uithijgde en voor 'n poosje 't straatje weer te droef-schemeren lag, stil en nietig,, met z'n vuile mosdakige schemerdroeve krotjes.
Guurt kon niet afzien van den rossigen brand, die telkens op den vuur-verwilderden kop van den smid vóórop uitschoot, als de balg aan 't laaien ging. Ze hoorde achter 't hok-raampje, het getemperde geluid van z'n hameringen op de gloei-lichtende wielen en hoepels. — Met pret in 'r, zag ze 't vonke-sterren, de vuurspatten om de donkere hoofden en rompen van andere werkers dans-kringen en zweven, en alles weer heelemaal weg-duisteren als de smidse tot rust kwam. Dan zocht ze in den zwakken zwaveligen nastroom van den gloed, hun hoofden* maar zag niets dan vage vormen van travaille, wiel-bonken en donkere karbrokken, groote hoefbogen, ijzerrommel en walsen, die als vergramd in de halve werkplaats-duistering zwarter: uitlijnden. — Vrouw Hassel zag niets, zat met 'r donker hoofd maar te staren in schemerstraatje, tot plots vlammengloed van overkant haar kwam bebloeden, en wilden angst gaf aan 'r suffe hoofd met 'r magere hand aan d'r mond gekneld. Guurtje, tegenover haar, in ros-gouën schijn, begloeid als in toover-ballet, het fijne hoofd, met die weeke trekken, als 'n Elsa, om-licht alleen, het gezicht en haardos. En plots weer schimden de vrouwenhoofden weg, met stilte tusschen de lichamen, 't Was als 'n visioen van monsterachtige leelijkheid en vreemde sage-fijne schoonheid, dat koppenleven der vrouwen, weggezonken in het diepe zwart van kamertjes-donkerte. En zwaar tikte achter het hout beschot, door de stilte, de staartklok,.