6o
Guurtje had z'n eten in bed gestopt, onder de dekens en ׳toen ie, toch grimmig van 'n leeg-weeïg maaggeprikkel instapte, vroeg ie gauw z'n kliek. Bij het suffe gezicht van z'n vrouw was ie al weer uit z'n humeur. Zij zat maar zonder 'm aan te zien, te suffen voor het raampje, met 'r ellebogen op tafel, te staren op het doodsche keipadje, naar 'n vuil kind dat voorbij-kloste, naar 'n berooid-kale kip, die aan 't drentelen was op 't leege weggetje, naar 'n venter, en al maar voor d'r, de leegge-•vreten tuinderij, afgeknaagde singels, met d'r nattige vuil-gele hooi-klampen, stil en dreigend, en d'r omgespitte grondbrok-•ken. — Bijna uit z'n humeur, toen ie d'r lamme snuit zag.... Alleen het gladde zalige wrijven over het potloodje, hield 'm •stil-ingespannen. Tot vier uur bleef ie zitten smakken, blijerig denken, alleen in z'n vreugde, stopte ie pijp na pijp. —
Piet en Dirk waren van het avondland huiverkil thuisgeru-moerd en bleven op 't achterend, vlak bij keuken-warmte zitten schemeren, turend door 'n klein raampje, dat uitkeek op smederij van Willemse in de Bikkerstraat. Moeder Hassel en Guurtje zaten daar al van bij vieren. Dat was gewoonte bij Wiere-Janders in wintervroege donkerte, om licht te sparen, tot 't broodje van half zes. In het donkere warme achterend-hok, gloeiden alleen, nu en dan, schijnsel-rooie gezichten öp, ׳van vrouw Hassel en Guurt, die vlak tegen 't raampje opgedrukt tuurden, als smidse, aan overkant van nauw straatje aan het hijgen ging, en van uit de open werkplaats 'n vlammen-licht, bevend over de oud-behuifde geveltjes heenijlen liet, dat de brokkelige lage krotjes te branden stonden in rosse ;gloeiing, verzwevend en wisselend, soms oplaaiend in dampend ׳rood, dan verflauwend plots, met opdoeming van schaduwschimmen wonder-wild en fantomig uit schemerstraatje. Telkens als smidsjongen trok, aan blaasbalg, ijlde 'n metaalgloed •als brandende oker over de huisjeskrommingen, heet roodgoud neerschroeiend op 'n vuil-kronkelig gangpoortje. En telkens stapten menschen, nu donkere straatfiguren, uit zijweggetjes, in den lichtgloed, als magisch éven beschenen, met •opglanzing fèl, van rooie koppen, lachend en satanisch, onbe-