339
Kees was wat later opgehouên dan anders. Er waren karren met bakken van de haven teruggehaald. Piet had gevent, goed verkocht, en Kees had van Dirk 'n gulden boven z'n zweetloontje gebeurd. Noodig voor z'n hongerend nest van dertien, waar ook nü nog, gevochten werd om broodkruimels. — Voor 't eerst, met wat geld in z'n zak, stapte ie naar 't duinkrot. Stil laat-lichtende lanen liep ie door, blij met 't groen, dat ie eerst niet gezien had. Nou was 't net, of er iets in z'n ruw leven, z'n driftziel, verzachtte tegen alles. Er woelde een geur om 'm heen van zoetheid, ijle reuk van bloemen, en er was iets blij's in 'm, als hield ie toch van 't leven. —
Luidloos, in prachtstralende zinking van licht was de vroege Juniavond om 'm, aan 't sterven. — Jonge popels lichtelijk be-bladerd slankten ver in avondrood, zachten gloed die als reuzige glansschild d'aard kwam overdekken. —
Rag en éven groen-verdonkerd lijnden de twijgen in 't rozerood en stille murmeling van zoet landgeklank ruischte van akker-verten af, als fluisterde nachtleven rond z'n beenen. — Zalig en zoet geurde bezonken dagzwijmel na, de aarde glans-groenend en glansvergouênd in droom-rozigen luchtbrand van zonnezink, madonna-gouïg en heilig ver-aureolend door laantjes en boomblaar.
Dennetjes, licht-groen gezoomd aan donk're takkransen, stonden dwars doorlicht in rooien gloed, als heilige kandelabers in reuzige kathedraal zacht te branden, met de jonge kaarsjes tot den top in vlam geploft, zacht-glanzend, roereloos kaarselicht, aangestoken in 't wonder-teere avondgoud. Aan wegkanten van weiland en glooiigen duingrond, bloedde éven doorvlamd fijn rood gepunt van eiken hakhout, teer als bladknipsels, loo-verig rood getintel, dat arabeske lijntjes droop van zonnig rood door 't struikgroen. Fijn paarse hondsdraf toortste, lichtelijk gekringd in stoetjes, in 't avond droom-fijne glanslicht, levende wezentjes, zelf bestarend den zonnezink. En rond, in verre kransen, kroop bijéén in 't lokkende goud-zachte gevlam de eereprijs, heel teere blauwe lichtjes, dwaalzwammetjes in 't grazend innig-schitterende weigroen. — Als weggewaaide