338
de, bronzen goudscherm van veeren, groenstalen, kijkende schit-terings-oogen van glans alléén. Zacht hondengeblaf dofte soms öp uit den stillen, binnensten goudschemer van roerlooze lanen.
In den hoek waar Kees en Dirk werkten, lag achter hage-doorn, 'n plek als leeggehakt, openend gouden tuinhart. Bleek-schoone, lila-seringen als jonkvrouwen in biecht eenzaamheid gevangen, slankten plots öp uit gloeiende zonneplek, in lange rijen achter elkaar. Fijn, hun geurige kroonselen zoetten reuken door de lucht, en boven de rij van bleeke lila's, dromden verdonkerend bronzen beuken, als wolken rood-violet licht, hooger öp doorvlamd van zonnegloed, felle zang van smachtend rood, tegen het bleeke lila, dat éven er onder uitgeurde, z'n fijne droomtonen, ijl in bedwelmende sfeer. Telkens zoo éven, schoot, uit de groen-gouë koelte van tuinwoesten groei, 'n plek open in zon, blankten wat rijtjes narcissen aan, of vruchtboomen in nabloei, purperend en sneeuwend, met zwoelenden geur-adem. Gloed zong van kastanje-kroonselen, die te geuren ijlden in 't teer-heete Junigoud. En sterker kwamen uitranken verderop, zangerige lila-trossen, en kranzen hooger. En enkele seringen buiten de zon, slankten verbroosd in vochtigen wasem van gebroken zilverende lichtsfeer, koel. —
Op zoog de beukenlaan, vóór Van Ouwenaar's landgoed, geurzwijmel van woesten tuin, die ijl te ademen hijgden. Seringen-adem en jasmijnen, dennengeur, en vochtige boschzoetheid, stoof in zachten zwijmel naar de lichtgrot, tusschen al hoog-zingender groen van jong geboomte uit jonkheer's landgoed.
Als laatste dagpracht van lentefeest, geurde de beukenlaan, volgedronken van zwoele arooms uit tuinbrok, zwommen in gons, zang-teer de bijen en vliegen rond, ging lentezwijmel ten offer aan het licht, het licht dat gloeien en koken wou, naar de gouên grot, aan 't laan-eind. In zalige weelde, glansde en praalde 't daggoud, vonkte 't licht, klaterden de kleuren van bloemen, rond grond en boomen, lag Wier eland honing te zwelgen uit gouden bloeme-schalen, in geuren-zoet te zwijmen, in rook van licht en vocht. En overal juichten en klaroenden de vogels hun zilveren zang door het groen.