Menschenwee, Eerste boek, Winter

Titel
Menschenwee, Eerste boek, Winter

Jaar
1903

Druk
1903

Overig
1ed 1903

Pagina's
350



337

in de grashalmen, in eeuwig eetgepik, kopjes-golvend door 't pluimgras, achter elkaar, in waggelend rijtje. —

Hoog, hals-gerekt, in zij-lingschen oogstaar, waakte vader-gans, in blanken waggel achter de pikkende kuikens aan, soms even stappend in natten zonneschitter, dat er licht van z'n blanke veeren droop; drentelde moeder-gans méé, achter beschermd jeugdje, in het schitter-zonnige, zoete grasgroen. Oud bemenied hekwerk, stond in rood-felle schittering, half bezond, in sier van vuurlijnen voor 'n gedrochtelijk-uitgeholden boomknoest, monster dat gaapte, met nijlpaarden-muil, aan ingang. En heel diep, in half-bladerduister, blankte zacht óp, 't witte huisje van Waarmer, beluwd onder koelend-groen uitgeurende kastanjes. Rondom, in 't wild, danste kring van reuzevarens een woesten horlepijp, fijn in rankte spitsen hun krullende toppen, als vingeren slank ver-strekkend. En heel naar achter lag de woeste tuin dichtgegroeid, brak het lentelicht er in, tot zilver-koele glanzen, mat-blauwig, dampig licht onder bladerdonker, in al gamma's van schaduwdiep, geheimvol verrui-schend 't lied van de lommerstilte. Als boven graf van gestorven saizoenen, zoemde er stil, in zilverblauwig waas, gebroken licht, al ijler uitgezeefd en onderschept door weer ander boom-groen en struik ; dreven daar rond, geheimen van natuurleven, zalig in eenzamen groei, poëzie van het stilste, zwijgendste lommer. —

Groote heesters bogen in ranken wiegel óver naar wilde gras-pluim, en fijn ruischte 'r koele suizel rond van wind, ruischende eolusharpen, in fluisterenden zangespraak met bloemengroei en boomleven. Op 't koele woningmuurtje, vermarmerd blank, ging in schaduwsier van varen en takjes, geheimvol leven rond van silhouetten, waartusschen rondgestrooide goudlichtjes en tril-vonkjes flitsten, verpijld door hooge tak-kronkels.

In de stille, omlommerde vensterruitjes, droomde koel licht van tuin, teruggeglansd in zachte vegen van gelen gloor, dof en heimelijk. En naast 't hekwerk, brokkelde scheef verzakte, donker bemoste, roestige kringmuur, verweerd en duister, als ruïne van oud kreunend leven, waarop pauwenpracht uitwaaier-

22

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.