329
te gieren, voelde ie 'n onrecht, hem, hèm alleen aangedaan ; dacht ie, dat de rijken nooit dat, die ellende hadden. Nooit nog had Guurt es gezegd : ,,laat ik Wimpie ereis zien", of een ander uit 't vuile nest. Hij wist, dat Ant ze verboden had er te gaan, bij die ketters, en dat zij Ant verafschuwde om "r vuilen, valschen nijd. Maar 't griefde 'm, griefde 'm diep, dat niet één van zijn bloed, naar z'n Wimpie ooit vroeg, 't Griefde 'm, hij kon 'r om uitbarsten, zwaar vloek-hameren van nijd.
In stikwoede was ie mee opgeloopen met de kerels, naar 't land. Door z'n werk zou ie zich koelen aan den grond.
Tot 't late licht ze verschemeren kwam, wroetten ze weer in de zandaarde, met gezichten in één donkeren buk naar den grond, in haastenden arbeid en werkjacht, als krom-gegroeide beesten, voortschuivend tusschen het rondom wijd-weg-drij-vend, diepe goudlicht van lenteavond, pracht van glanzen en lichtspel.