303
groen op akkergrond. Op het zalig-wijd, rustig bollenland, hurkten klein de blauwkielen, ingebogen met kop naar de aarde, wiedend-zoekend tusschen nog lichtend hyacintenloof, naar ziek loof. Om hen ademde in diepe rust, de groote trillende stilte, ruischte ademhaal van het licht over de velden. Orgelende geluidjes aeoliënd, doorzilverden 't hemelblauw neerregenend over de akkers, in snoertjes trillenden zang. Verzwakte straatgeruchten van den weg af, woeien éven nog, vaag-klankend aan. Overal gooiden de blauwkielen de zilver-beflonkerde rooischalen voor zich uit, was er zwaar geploeter van werkers met bestoven zakken en mandjes bollengoed, naar het pad sjouwend op handkarren. Naar alle kanten uit, van de zondoorstroomde akkers, kropen de wieders in feilen goud-brand, blondden de groote stroohoeden van enkele ingehurk-ten uit, boven verdord goud-brons loof. Wat witte hoeden stipten blank in 't licht. Eén groepje kruipende aardwroeters, net achter de haag van ouë Gerrit's akkers, werkte met kleine petjes op, dat 't zweet ze van 't gezicht gutste, kropen tusschen 't groen, in hun kielkleur als blauwe voortschuivende vlekken, die afdropen in zonnebrand. En prachtig, over nog groenende, puntig-neergekrulde tulpbladen zeilde en moireerde zilveren forelleglans van licht, en fijn sidder-golfde 't loof in aanfluisterenden windsuizel, droom-zacht, al méér en méér; week geruisch, rond gréép en donkere wroet, van zwart-ver-bronsde werkhanden ; geruisch om de lijven, in lichtgewiegel van glanzen door 't loof; loom gezang van de aarde, naar 't lichtende, groeiende leven. In hooger groen, uitgebladerd, stonden in stille aandacht de akkersingels, met goudstof be-vonkt op dwars-uitstekende blaadjes, hier en daar gloeijend als enkel wit vuur. En langs de padkanten van akkers, waar de karren donker wachtten, in geduldstand op lading, in 't naakte licht, fonteinde 't siergras in beverige straaltjes, zilveren glansdrup tusschen den roesttint van zuringwild, sprietend zachtelijk over den fijn-rossigen zandgrond, vervocht in 't dampende akkergoud. Boterbloempjes schaterden in glans, paardebloemen, uitsterrend als zonnetjes, wielden goudkrin-