299
Kees, aan 't wieden, rustiger nu in z'n arbeid, schoof handig z'n peulenschoffel tusschen de boonen. Dirk werkte af, rond de rijzen in, met z'n handen nawiedend, waar de schoffel niet bij kon.
De zon stond al hoog, en hitte dampte er öp uit de zweet-koppen der werkers, die gloeiden, pal in 't zonnegesteek. Dirks blonde kop stond in glans, en de rossige vlekken er in, brandden als schedelvlammetjes achter z'n petje. Kees, reuzig, met 'n vuil-gelen strooien hoed, schonkigde boven de rijzen uit, die knoesterig en kaal-vermergeld, in het sappige gewas en kleur-licht, dorden. De lichtgroene aardbei-bedden, akker aan akker, omrasterd van prachtkleur verglinsterende hagenwanden, als ingesloten tuinen, dampten uitgestrekt, met warrelende witte bebloeseming. Overal op de akkers rond de werkers, vlekten kleuren in 't sappige groen, rood, wit en hoog glansgeel gespikkeld van bloemen en bloesem, licht-blij daverend in 't zonnegevonk. —
Vijandige oom Hassel stond 'n greppel verder met z'n zoons, zwaargebouwde kerels blauwkielen, bedrijvig wroetend in de aarde. Ouë Gerrit kromde met den rug naar z'n broer toe, dol jaloersch, zwellend van gift op al wat oom Hassel had en deed, glunderig loerend naar z'n akkers, die met sla en aardbeien voor waren in groei. Ook frischte al 't diep-groen sier-loof van wortelen bij 'm op.
Dat maakte Gerrit helsch. Hij wou 't zijn kerels wel wat uit den grond zien trekken, zoodat 't gauw, heel gauw ver boven teelt van z'n broer uit zou staan. — Toch was ie blij dat bij hèm ten minste 'n hoek rhabarber al hoog in stengel en blad bloeide, prachtig jong, vlak voor den neus van z'n broer, waar die op kijken moest, terwijl bij dién de rhabarber, laag in 't blad, kwijnde. — Telkens loerde Gerrit stilletjes en voorzichtig, om te zien, glunderig of broer Hassel niet naar z'n rhabarber keek.... En telkens ook keek z'n broer naar hem, of Gerrit niet naar zijn aarbeien en wortels loenschte. Dan stootten ze op elkaar in met hun loer, keken ze weer tegelijk, strak voor hun uit, met woedende gezichten, omdat geen van de twee wou