293
rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn. —• Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten öp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.
Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende gras-geur. Overal wraaide 't vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.
Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in 't stedeke en dorpjeszeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam 't schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend, 't Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze öp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond're violet, en staartglans van pauwendauw.
III.
Loom slofte Kees den weg naar zee af, met doffen klomp-schuur, zandwolken voor zich uitpoeierend. Eindelijk dan was ie bij de sekretarie van Duinkijk, doodop van verveling en lanterfanterigheid.
In de zoete lenteavond-scheemring van weibrok, achter Van Ouwenaar's landgoed, vaagden vorm-fijn, twee stille, peinzende paardj es, grazend in halslagen kop-hang. Avond was aange-floersd in heilige rust. Overal rond droomden wazig, in duister dampig violet, tonige bosschages, en hoog aan een zij van den