291
in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.
Aan Duinkijk, naar zee, stond 'n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.
— Daa's puur bot afspronge van alle weer, zei dof 'n lange uit 't stoet je.
— Daa's net, de vorst hep hier huishoue____kaik t'met alle
blommetjes dood op die oarbai-bedde.... en kaik die fram-bose.... die appele !.... die pruime !.... kaik kaik! die peere ! d'r is kwoalik veur vier duite meer an !
Stil liep 't stoet je door, bleef de werker op z'n akkers, zorgelijk turend naar z'n bedden en vruchtboomen.
Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar öp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.
Toen plots, sloeg Meiweer óm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp. — Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.
Uit de beukenlaan liep 'n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z'n hoofd, als zenboom bewoog op z'n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rij zenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter 't groen van vruchtboomen en haag, dat 't daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met