2go
Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in 't watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. 's Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in 't verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde 't riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Meiverlangens ; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En aanwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, 'n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant öp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluit-lied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tégen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.
Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield 's nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en 's nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot 't gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade, 't Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in 't gezicht, dat hun handen soms kramp ten in kou-onmacht.
— Da sel main 'n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar,