289
mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand ; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zónder oplossing in 't lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zónder rust in 't avondnevelige waterland, met z'n goud-vocht en trillende vloersen. —
Als wTas daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z'n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.
II.
In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde 't licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in 't opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rij zenpaadjes.
Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers eiken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee aan. 't Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door 't landschap.
De kleurlyriek van Mei donkerde al zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter
19