272
zou, brengen kwam oogst, leven, of ie werkte, gistte, licht en warmte inzoog.
Lentebrand ging over de akkers, vlammen van schroeiloos zonnevuur. In al de tuinen kwam uitspruiten, asperge en radijs, tuinboonen, lichtelijk zilver beblad, raapstelen, in groenen bosjesdrom, erwtenranken en rhabarber, jong blad, waaronder steel-rood uitkleurde. De aardbeibedjes jongden in d'r hel tintelende groene uitloopertjes, lichter met den dag, dwars door het vaal dorre brons en bloedrood, gouïg-omrand geschub van afgestorven loof nog, dat nazong, tusschen lentegroen, éven z'n weedomlied van herfst.
Ouë Gerrit liep in zoekend getuur naar den grond te kijken, tusschen z'n bedden op de Beek. Dirk schoffelde rond de erwten en Piet met helpertje, armelijk jochie, verzakt in zware man-kiel, wiedde de worteltjes.
— Seg Piet.... hai jai d'r nog doppers.... de wind hep hier huis houe.... nie een die d'r opkomp !.... kaik!.... da' hebbe de musse in gefrete.... da' tuig !
Dirk sprak, doorwiedend met den schoffelboom hoog, uitschietend z'n armen in breed gebaar.
— Ikke hep hier niks.... hep den Ouë dan nie walletjes anstreke ?....
— Wa' nou.... walletjes ? bromde Dirk met z'n rug naar Piet toe.... of di' stoam-erte binne....
— Watte ?.... schreeuwde Piet, die Dirk niet verstond.
— Twee swarte katte, bromde nog onverstaanbaarder Dirk, om Piet te hinderen. Helpertje van twaalf, hurkte op z'n jongensknietjes, mannig in z'n beweeg, tusschen de paadjes, achter Piets klompenzool wiedend, nu weer in jonge sla, die al fletsig met z'n geel-groenige schutblaadjes overgeplant, slap treurde. Z'n kleine kinderknuistjes wroetten driftig tusschen 't onkruid en telkens éven schrok ie met 'n vloek terug, zoog ie z'n hand uit, in den mond, als hij zich gestoken had aan brandnetels. Zwaar doorlapt sjofelde z'n gescheurde broek om z'n lijf en z'n voeten in baggerschoenen, — rooiig en gat-doorvreten, dat vieze teentjes er uit kromden, —