271
hemelzwerk, ijlzilveren stoom uitblazend tegen dreigenden wolkachtergrond. Rechts naar station, eenzaam boven het aan-sjacherend marktgewoel, hoog uitwiekend door grijzen lucht-hoek, in statige wenteling van windgang, keek reuzige molen over polderruimte. En rond hem, laag als neergebrokkeld, huiskrotjes in rood gedak, schuil achter en onder boomgroen. Enkele bootjes, vereenzaamd, lagen geankerd op stil walkantje, vlak bij de polderhoogte, buiten sjacher-rumoer, waar hun kajuitsoogen net even boven water staarden, wijd-open, als gesperd in benauwing, met de vuil-gele en smoezelig bruine walstrooming onder hun angstblik. Matkleurig roer-rood en hardgroenen koperen bepuntsels van schepen, boorde door de grauwige drukte. Tonnen, met menierooie bodempjes werden in druk lawaai en geschreeuw loopplanken op- en afgerold, weggeschommeld en recht-opgecirkeld op d'r kanten, in voetenen handen-techniek, als speelgoed, lichtelijk versjouwd. En overal, tusschen tuinders en venters, dromden kinderen, onder paardkarretjes en tusschen honden. — Havenkroegen liepen vol en gulpten zwoegkerels uit, slokten sjouwers in, kooplui, tuinders en scharrelaars, die afklapten en prijsbedongen. Maar weinig nog was aanvoer en slap 't groen van spinazie en wat vroege sla.
Later in de maand was Aprilvrouw weer opgerankt in gracie en achter haar aan trok ze diepere streepglanzen en kleur-kransen, lichtglorie van aanwarmend zomerland. Struik-groen en jong geboomte stonden te wasemen in dauw en eerste bloemenbloei tooide de ochtendvelden in kleurenlicht.
Zwaar, in zwoeg-ernst, wroetten de landwerkers. Éérst jolig werkgeluk was overal bij tuinders en bollenknechten overgegaan in zwoeggewoonte van menschdieren, stomp omwoelend de aarde. Overal stond strakke loer op groei naar vruchtbaarheid, op aardegistend leef sap, dat in wellustgeur den grond uitbruiste. Angstig was 't getuur van tuinders en kweekers, stille kijk naar de aarde, bange, ingehouen vraag aan den zwijgenden grond of ie geven zou volop, of ie groeien