270
dam. Aan walkanten, en onder aanlichtend groen kastanjelommer van de havenboomen, vlak voor 'n rij woonhuizen, was uitstalling van jonge groenten op straat, in manden en bakken, van walkant tot aan de stoepen, 'n Ophooping van karren met stilturende trekpaardjes en ezeltjes, warden dwars en scheef bij elkaar. Stille koop voor afslag klonk 'r vóór dat tuindersboot aankwam om op te laden. Boven haventje dreef geweldig wijd-uit, wolk-doorzilverde polderhemel, en boven één hoek naar spoordijk grauwden paarse waterdragers. —
Aprilvrouw was, koketteerend en tartend, met 'r rosgouen zwier van wapperhaar en omslingerd van door-zonde sluiers, in 'r ranke gracie en vlammensier, al dagen achtereen weggedoken, had sarrend en schalks in haar plaats gegoocheld, grimmig klownig weer-duiveltje. Van overal dreigde wintergrauw in de luchten.
Reuzige ruïnen, omsmeed van licht-zilverend, afgebrokkeld poortwerk, breed en diep-verhallend, dreven prachtzwaar in den ochtend, met hooge bogen van wild licht omspannen, boven geweldige polderwei en haventje, om in stillen val in te storten tegen den middag, te vergrauwen in angstzwaar, woest regenzwerk.
Onder de spoorbrug, waar de tuindersbooten doorstoomden, spartelde tusschen het sluizig-diep schaduwdonker gemuur, lichtende plasglans van waterzilver, nauw-kronkelend door bruggeboog. Zwaarder boven den spoordijk, rond polderruimte donkerde 't regenzwerk; droef daarin de gasreservoirs, die er neergetold stonden als duistere kringkazernes zonder ingangen.
Op den spoordijk, tegen fel-scherpe lichtwolk brak donker uit, lichaam van sein wachter, die draaide aan z'n paal voor z'n huisje, dat er parmantigjes, klein-hoog stond. Langs den haven wal joeg gewoel en gedrang van tonnenschuiten, tjalken, bokken en pramen. Uit meelsloepen klauterden telkens wat kerels, wit bestoven, met zakkenvracht, wit-doorpoeierd op den rug. Zwaarder in paars-duister omdreigde polderlucht de haven met spoordijk en plots door grauwblauw gewolk, rende lokomotief met wagens aan, doorstormde in donkere vlucht