2Ö0
Zóó, de lenteluchtvloot trok over 't stedeke, van zee beoorlogend en verslaand doorgrauwd winterruim van Wierelandsche akkers en wei. En eiken dag, in Maartmaand, éven maar, trokken öp in zeil-zwenk, aanééngerijde zwanengondels, in stralenden zilverdauw, cirkelend en manoevreerend in bochten breed, langs de luchtstranden, zacht weer terugzeilend naar zee ; vloot-stoet, licht en duizel-tintig, omspuid van parelend zilt zilver, tusschen blauw-groen azuur van aanlichtenden lentehemel.
Zóó, onder Maartsche wolkenvreugd, zetten de werkers hun eersten lentedag op akkers in, ontworstelend elk lichtuur, aan weer teruggrauwenden winter, die maar niet wijken wou, telkens om en tusschen de gouïge zonne-uurtjes, als 'n reuze-zwarte vogel vóór ranke zonnevloot bleef ronddonkeren.
Er was opfrisschende lichte werkjool in de tuinders en bol-lenarbeiders gekoortst. Overal, om Wiereland en Duinkijk joeg werkwoeling en krachtige lust om met jongen arbeid, starstarenden winter te verdrijven. Onbewust, stil en onuitgesproken, groeide verlangen in hun harten om door grauw en angstig-eentonig takkenbrons van dorp en plaats, zomerwereld van kleur en licht te zien trekken, zooals die alleen oplaaiden in Wiereland en Duinkijk in gloei en vlam, in kleur en gloed van 't wellust-doorkoortste groen, het vol-zoete groen, diep en licht; groen van 't stedeke, met z'n praal-prachtigen hoogen omgroei van labyrint-lanen en paden, tuinderij en bollenakkers overal rond. In de straatjes was klosgang en drukkig verkeer bij zaadhandelaars en overal klonk klankrijker gepraat over zaaisel en maaisel.
In allen leefden drang naar arbeid, warmer lust in grondwerk, in woeste teelt, de grauwe aarde te omkleuren met groen en zongloed.
Door de bollenvelden liepen de werkers in de buiige, grillige schijnselen van Maart, en de bazen achteraan, heerig nog in hun boordjes en blankend overhemd-wit, speurend met angst in 't harte, naar vorstschade, wijl 't gewas den grond al uit