NEGENDE HOOFDSTUK.
Er was klomp-klossende drenteling, lichtelijk vroolijk ge-klank van de tuinderskerels op de akkers van Wiereland en Duinkijk, 't groentendorp dat rondom 't plaatsje dromde met z'n velden. Blauwe en lichtbronze kielen fladderden om stoere werklijven, in winderig weer, brekend in kleurfrissche helderheid de nagrauwing van 't winterland. Maart-maand had blond-grillig licht door 't tuinbouwstedeke en Duinkijksdorp gewuifd. Tusschen aarde-schraalte schoot zonneblond en droog lag 't land, in koelen gloed, onder wilde vlucht van zil-v'ren wolkcentauren en sproke-vogels, in lichtenden zwanen-gang, als booten door luchtzilver aandrijvend en uitzeilend, statig en geweldig in pracht van zeekant naar polderland. Maartsche wolkenstoeten, langs blauwige luchtstranden, zich langzaam vervormend in toovergedaanten van langhalzige graal-zwanen, ontzaglijk in vluchtwijdte, zóó dreven de wolken-vogels, met vlerken van groen zeelicht doorschijnend, de blanke schitter-veeren zilver-dauwig bedropen, langzaam sluitend en spreidend de parelende wieken. Zeilende kano's van Vikings, optocht van gondelranke, spits-fijne scheepkens, zacht-zeilend, omzilverd van dauw-licht 't mastenblank, hoog-gezwollen van windgang. Zóó joeg aan het wolkenspel, omdampt van goue lentelucht, be-vlagd met uitgeplooide zilvervanen van hel licht dat voortdreef de luchtvloot. — Naast de zilveren zwaanhals-gondels, die te drijven zwierden, overal rond, overal, zachtkens en fier-gespan-nen de zeilen, langs onmeetlijk verre horizontbochten, rankten bevonkte galjooten in gril'gen zonneschitter, hun hoog-ranke stellages van kristallige praal geheven in zacht lentevuur. —