248
Tegen half acht rumoerde er onrust uit de donkerende bed-krotjes. De kooters kribbigden öp, vechtlustig, na hun gebed, chagrijnig en valsch-op-elkaar in hongerige drenzerigheid. Dient je moederde en Wimpie, die al wakker had gelegen en gebeden toen Ant weer in bed was gestapt, keek toe uit z'n bedje naar 't stoeiende en krakeelig-schreeuwende kinderhur-rietje. — Vrouw Rams was in 'r gore jak uit achterend de kamer ingestommeld en bang, als ingekerkerd onweergeraas, scheurde uit gangetje, vlijmend hoestgeroggel van grootvader Rams, bulderend en rauwig pijn-scheurend, 't krot doorklan-kend aan allen kant. —
Uit den werk-emmer bij de put buiten, plonsden de meisjes d'r hoofdjes nat in 't grauwende donker, boenden ze met af-gekaalde borstel elkaar door de verwarde haarbossen. Dien luisterde er naar, maar loerde meteen 't zwarte achterend in, naar grootmoe, die vuur wou aanleggen en overal tegen op-bonkte, dan nijdig wat bromde.
De kinderen, wild, wisten dat 'r vervuiling mocht zijn, lieten d'r nekjes en lijfjes zwart bemorst van vuil, slonsden wat plasjes lichtelijk over d'r smoezelig bebakken snuitjes. Grootmoeder snauwde rond, als ze hoorde krieuwen in 't achterend, sjokkerde vaag in tast, armen vooruit, door aangrauwende ochtendkamer, met takkebosjes en krulletjes die Dien hielp aan-vlammen in de schouw. — En overal was Dient je bij, hielp de zusjes in d'r vodjes, geholpen door Griet-van-zes die meemoederde, snibbig en baasspelend. De kleinsten drensden op den pot hun gebedjes af, met slaperige stemmetjes, in klankloos gejammer.
Tegen negen uur, plots kwam er dreigend gebons op de deur, lichtte de klos óp en stapten tusschen kindersmeer, dat aan-gesjokkerd was naar den ingang, veldwachter van Duinkijk, met z'n platte pet, diep voor d'oogen en agent van Wiereland, binnen. — Vrouw Rams was met konkelpot in 'r hand, in schoffelgangetje, arm-gekromd vooruit, naar de deur geschoven, gretig loerend naar den hoek, wie d'r nou al kon zijn.
Deftig-streng klonk stem van veldwachter :