239
Op en Èif sloop 't stroopersstoetje en dwars in den lichtbrand, met woesten rem, schoot schaduwspel dooréén, zich bemoeiend in jachtpassie der kerels. Telkens stond nieuwe dreighoek in 't rosgouïg licht te dampen, staarde de Nacht boven de lichtkringels uit, boven bang-hooge rugbulting, als duistere heerscher, opjagend den reuzigen minotaurus-stoet tegen de poerende mannetjes; slingerde weer wég de lichtbaan, viel •dicht over de ros-sneeuwige ruggen de nacht in nog angstiger zwart, dan vóór den kaatsbrand. En zwaar, in stomme razernij tuimelden de schaduwen mee, gebroken doorhakt in brokken, als spottend, springend in den grondbrand, plots weer verdwijnend in donkering. Verder door de nachthei, in sluip, kromden, kropen en joegen ze voort bij lagere duin-bulten, die als stomgeslagen in schrikboei, roerloos 't licht langs zich slingeren lieten, verbaasd in rossigen staar ; weer wèg-.slierttcn uit slingerkring, de duistering in, vóór ze schreien konden, méé met den al zwakker kermenden windzang.
En voort ging 't stoetje, in de weenende eenzaamheid van loeinacht en verstervend stormgerucht, om kronkelpaden, overal omdreigd van de stom-zwijgende zee-wachters, ingekneld tus-schen den mensch-stierigen opstand, aandrommend in rosgouën damp. Voort stapten de stroopers, nu levend in één loer, één adem, niets beseffend van nachtangst, vastgemoerd in hartstocht van vangst. Snel en zeker, zonder struikeling, gingen Kees en Breugel voorop, in lichtdonlceren beenengang. Maar nergens nog verschichtigde wild. Breugel vloekte van nijd. Sneller wentelde ie z'n bak, dat de cirkels in golfstroom over de titanische duin wezens den nacht inrilden, als goud-schel weerlicht.
Plots stond Kees, knalde 'n schot, nog een, nog een....
Koome vloog achterop in wilden dans, greep toe, stopte in dol gebaar van hartstocht alles den grooten zak in. Even bukte z'n schooier-mager lijf, met belichting van rooien halsdoek, bloederig in den feilen lichtslag van reflektor, en zwaar beefden z'n lippen van jacht-passie. Telkens éven schoot ie tusschen Kees en Breugel dóór, soms vlak onder windvlaag verschreienden geweermond, waaruit 'n noodlots-stem klaagde ;