235
relde achter en om den lichtbak, in hazewindsprongen, soms dwars over lichtbaan heen, in z'n ophitsend, zacht gegrom wetend, dat als ie nou zou spreken, Kees 'm 't geweer perdoes op z'n hersens zou stuk slaan. Plots klonk bang-kort, kreet-ang-stig.... Hoarlem !....
De lichtbak doofde.... strakke duisternis staarde op 't weiland, helle-duister. Visioen-bang was rossige lichtstoet verzonken in den nacht.
Van 't nabije kanaal dreunde öp ontzettende pijp-zang in winterweer, van reuzige boot, klaag-bas, diep en geweldig aanzwellend, als jammerende mammouth-stem in oer-nacht. Orkaangier zangloeide na, diep uit 't duister. Plomp had in doodelijken angst, doorloopend, zich plots omklemd gevoeld om z'n beenen. Niet beseffend wat er gebeurde had ie noodkreet uitgestooten, in angst-reflex om iets maar te doen. Nou, ingekrompen, gebukt in den loeinacht, zag ie, voelde ie niets op zich aandreigen, niets dat 'm knellender vastgreep. Snel, in goochel-routine had Breugel den lichtbak gedoofd en van z'n hals gelicht. Met de anderen was ie, zeker in z'n sprong, de sloot ingestapt. Kees stond met z'n stukgevreten modderlaarzen en doorrotte zolen in 't nat, tot z'n knieën. Ril-kou sloeg om z'n beenen, ijzigend voelde ie 't water op z'n naakte karkas inzuigen. Giftig stoof in 'm öp wilde dierlust om ze neer te hakken, zich in speelschen schijn even te laten pakken. Maar de kou verkoelde z'n gift, beet op 'm in, nuchter, verkillend. Heel z'n toestand, zag ie weer klaar, met stroo-persroutine. Maar wat donder woar bleef Delker ?.... en Koome ?.... gromde 't in 'm.
Die waren 'n eind verder neergehurkt in 't donker, roerloos voor de sloot. Ze wisten allemaal wel, dat ze met den lichtbak, tusschen de koddebeiers doorgemanoeuvreerd hadden, dat t'r heet was, maar nou kwam er niks, hoorden ze niks.
Want da was ook wel hoarlie stiekeme pakmenier.... blaif sitte, jonges, sitte, bromde Klaas zacht voor zich uit. Piet lag zwaar-ingehouen ademend te loeren in 't duister nachtgat voor 'm, te luisteren of ie stappen hoorde.... maar de wind.