227
Kees sprak geen woord, in de donkere been-schuifelende ontmoeting. Stil liep ie naast Jan Breugel, die den lichtbak dragen zou. — Klaas Koome de ,,hazewind" en Delker de uitkijker, sjokten achter Piet aan, spottend met den nieuweling, berooiden bloemkweekers-knecht, die zich erg benauwd en zenuwachtig voelde, en barren spijt had dat ie meegegaan was. — Met Kees, dien Plomp donker-reuzig vlak voor 'm zag schaduwen, al kon ie geen stip van z'n kop zien, durfde ie geen woord spreken. Dat was duivelsmaat, leek 'm de gevaarlijkste van allen.
In den heuveligsten hoek van Duinkijk, achter woest-lage glooiingen, tusschen weibrokken ging de tocht en overal joeg 't windtumult van zwarten nacht vol bang gekerm en zong na, zwaar, uit 't duin-duister, den droeven zeezang van vèr.
Piet voelde zich niks op z'n gemak, en bang starde angst in 'm, als plots windrumoer was uitgeraasd voor 'n oogenblik en de stikduistering om 'm nog stiller staarde in den nacht. Dan nog had ie liever windgeloei. — Maar niks wou ie laten merken voor den blufferigen Klaas Koome.
— Hei Piet.... lolde die, niks voelend voor den angst-zang
־van nacht-orkaan.... op da' terain kenne me soame hée____
jai piept se in je stroatje.... nou.... en ikke.... ikke kon-steteer.... van da' Kees nooit mis skiet.... want hai.... mi s'n skooj-beweging !....
— Hou je bek, dreigde Kees uit 't duister, achter zich om-sprekend, — is 't nou weer om de honderd uit te klesse!....
Uit padhoek, bij dichten boomengroep, waar éven luchtbrok wild-droefgrijs boven joeg in zwammigen veeg, kwam langzaam, loeiing aanzwellen. En dampig stond, diep achter woeste haag, 'n raam-hutje aan padkant, in gouïg kozijnlicht gelijst, als rossig nisje, zacht-heilig uit nachtkrocht opdiepend, in war-rigen brandschijn.
— Nou stil Kloas, fluisterde Breugel, da' hei je Piet Smeu-ling.... de koddebaier. Breugel's stem was gaan fluisteren. Op de teenen knarsloos, in zachten stap, sloop 't stoetje lichthuisje langs, dat éven fijnen goudschijn uit raam misten liet, zacht en warm de duisternis in, 't pad zwak beschemerend,