226
plots z'n mond en oogen inwaaiend, als vlokjes smeltend nat. Wrevelig, met stikwoede in 't lijf, bleef ie marcheeren langs 't pad, poogde ie in te duwen tégen de windhoozen op duisteren zeeweg, die ver, ver voor 'm lag, toch vlak op 'm dreigde aan alle kanten, zwart dichtgegooid met donker orkaangeweld en wilgengezwiep. En van overal uit duin en akkers, stroomde aandonkering van zwarte windgolven, donderbruisend en kolkend, omsmorend, achter floersen van nacht, hallucineerende angststem van wind, die schreide, schreide uit alle hoeken; soms ijl in zijlanen schoot, wild en huiver-gillend, dan plots klaagde, midden op den weg, waar lage wilgen, naakte stammen, nu zwart-gedromd stonden, in duister huivergebaar. Windeloei, zacht klaagde uit, in hallucinante klanken, als hooge mandolines, veelstemmige snarenween, samenschreiend met duisteren zang van de zee, die aanzong van ver, heel ver, over de duinen, en opschuimde z'n golven-bassen, oneindig wijd, in sidderend tempo door den nacht, klagelijk en wild, plots soms verspringend in schrillen variant met wind-mandolines. — En sterker soms, als orkaan even rustte en zachter gerucht uit wilgenduistre zijlaan deinde, klonk huiverende zange-klacht op, veelstemmige mandoline, zwevend boven breeë bassenrij van duisteren zeezang, die geweldig over het smoor-donkere duinland aanzwol.
Plots hoorde Kees, kort van den wegkant naar Wiereland, zwak doorwaaid fluitsignaal. Doar ha je de kerels.... Ril-ellendig, doorkild van kou, slobberde ie door modderbrei van pad af, den weg op naar de stroopers. Met hun vijven waren ze öpgegroept. Jan Breugel, Klaas Koome, Delker, Piet Hassel en 'n nieuweling Plomp. Piet had nooit nog gestroopt. Nou f'enoaved sou ie 't ereis sien, wa se al deeën de kerels. —
— Ikke sien gain pitje.... snof'rjenne.... wa sitte se
hier in donker---- wa sitte jullie, vloekte met driftstem de
nieuweling Plomp, die zich onzeker voelde in den nacht, en telkens dacht ergens tegen op te loopen. Piet slifferde achter 'm aan, ook onrustig voor zich uit-tastend en morrend in stilte, dat ie geen hand voor oogen door de rumoerende duisternis kon zien.