206
als kinderdijen, — vooruit, waar ze liep. Bij 't bedje van Wimpie stond ze stil. Alleen nog maar schaduwen kon ze zien. Op den dag liep ze wel alléén, omdat ze wou, maar telkens werd ze door goedhartige lui thuis gebracht, die 'r zagen zwerven en tasten. Als ze met 'r befloerste oogen, waar 't licht al bijna uitgekringd was, in doffen appelstaar, strak tegen iemand of iets aanliep, stotterde ze van kwaadheid, gaf ze dadelijk de schuld aan ding of mensch, waartegen zij opbonsde. Nooit goed wist vrouw Rams wie wèl, wie niet in de kamer was. Maar sluw vroeg ze 't ongemerkt den kleintjes, of Wimpie, denkend dat ze dan niet wisten, hoe weinig ze nog maar zien kon.
— Mo' je, mo' je nie wa' drinke.... jonge.... vroeg ze Wimpie al tweemaal, die driftig nee had geschud, zonder dat ze 't zag.
In 'r stem, schril en scherp lag bijtende klank van nijdigheid.
— Seg jonge.... hoor je nie ?.. ..
— Nee.... nee.... neenet!.... 'k mö nie.... driftte Wimpie, met z'n hoofd draaiend, moeilijk in de peluw.
Over 't bedje heen van Wimpie, boog ze 'r vossenkop, om 'm beter te zien, moar 't mannetje begon te huilen.
— Wa wi-je tog.... wi je tog, angstigde z'n stemmetje... . 'k mo' niks.... 'k hê niks vroagt.
Ant, met 'r handen vol meelklonten, staand voor 't tafeltje, keek naar den hoek, barstte nijdig uit tegen vrouw Rams.
— Wa' mo' je tog moeder.... la sain s'n gangetje.... wa seur je.... je moak sain in de loorem....
Stil-nijdig schoffel-paste ze weer weg van Wimpie's ledekantje, langs bedsteeën van de meisjes, die nu met groezel-gelig schijnsel op stille slaapmaskertjes te snurken lagen, eng d'r lijfjes in elkaar gewurmd. Even keek ze in, vrouw Rams, zag niets dan donker, sjokte verder, met armen krommig-stomp vooruit, tot ze pal den hoek inliep, tegen lichtbak van Kees op.
— Daa's jouw.... jouw.... skuld.. .. jouw skuld.... beet ze af, stem-nijdig zacht achteruit schuifelend. Maar niets hoorde vrouw Rams terugzeggen, begreep ze dat ze ergens tegen aange