ACHTSTE HOOFDSTUK.
Warrelende schemersneeuw, traagvlokkend, wemelde over de breeë Baanwijk. De boomen kromden stamdonker tegen de dampende, gelig-wit stuivende straat. Van boulevard-boomrij uit, donkerden heel van ver, hooge karren en paarden omnibus-schimmig aan, tegen den tragen kringenden vlok-wemel in. Even 'n vrouw, met triest-rood omslagdoekje en donkere kleeren, fantoomde öp uit 'n laag huisje, de leege straat over. Alles witte, ingesneeuwd in stilteval. Bij 'n laag karretje, waarop blauw melkvat, dat met besneeuwde hoepels-om-randing stond te eenzamen in 'n nauw wit zijwijkje, drentelde Kees Hassel heen en weer, wachtend op 'n kerel, die misschien iets voor 'm had.
Demping en dampige stilte witte van straatjes en daakjes. Hoog bij den Lemperweg naar 't stationsplein, lag 'n groot brok weiruimte vol te wemelen met glanzige vlokken. Tusschen de boomen overal, als in traag spel van stoeiende hemellin-gen, schemerde prachtige stille warreling, over en op elkaar, ingangen bouwend en hooge hoogpoorten van schemer-witte hallen. En alom schuiner geweef van vlokken rond en om roerloos takgedonker, doodstille stammen, pastelgroen in broze kleurteerheid. Daartusschen nu en dan, beweeg van menschen met sneeuw-zware petten en jassen, wit, wit, onkenbaar be-vlokt op gezicht, wenkbrauw en haar, doorsjokkend met donkerend lijf tegen den stoeidans van vlokken in. En voort weer wemelden glans-zacht en kleur-schitterig in zacht en spat, de groote verstillende vlokken, op de al witter aarde, al dons-zachter, op de roerlooze wachtende takken, op de doodstille stammen״