ZEVENDE HOOFDSTUK.
Ouë Gerrit zat ingedommeld, lichtelijk-besuft in de loom-soezerige stilte van stal en achterend op z'n gemakstoel te peinzen. Hij had weer eens wat bemachtigd. Als ie dat zoet-zalige niet had, was het ook heelemaal niets waard z'n leven, in al die beroerdigheid. Hij had op Kerst drie mooie gladde planken, Nieuwjaarsmiddag een toet tabak en nou weer'n prachtig rood kindermutsje gekaapt.
Daar zat ie nou soezerig van na te genieten, met zware oogleden en zaligzacht murmelde en zangde dat stil geluk om 'm heen, soms opstijgend in z'n uiterlijk zoo stille borst, tot een roes van hartstocht die 'm naar de keel sloeg, wegstormde zwarte zorgdingen, anders strak en zwaar tegen 'm aangedrukt. De staartklok galmde plechtig negen uur, dreigend in radgeraas even bij eiken nieuwen slag. En alles om 'm hoorde ie vaag vergalmen, versuizen in iets zalig onbewusts, diep verdoken in z'n eigen verrukking. Vannacht most ie z'n boel zien met z'n eigen oogen. Die begeerte brandde nou als 'n wond in 'm. De duivel met z'n moer zou 't 'm niet beletten. Op den dag kwam er toch nooit niks van, was ie bang, dat ze 'm snappen zouen, kon ie zich niet heelemaal geven.
Vrouw Hassel zat op verfrommeld krantje te staren, onder groezelen lampschijn in halve gezichtsduistering. Als ze de krant uit had, kon ze regel voor regel weer beginnen, zonder ooit te weten wat er in stond.
Guurt bracht de pap öp en van alle kanten scharrelden ze naar tafel, rond de groote schaal. Alleen ouë Gerrit at, roerde zich niet. Hij was te vol, te vol. Vanavond zou ie z'n boel zien, zién.