!79
De stille zekerheid van hun gebaren sprak van smart, ontzaglijk gevoel. Ieder wist wat ie deed en allen beseften éven in die donkere uren, wat angst en smart er sidderde door hun rampzware ploetering. Besef, even, éven, maar diep in die donkere oogen, in die van avonddonker verschimde gezichten, ־woordloos stilte-besef van hun ellende, straks weer weggedoezeld door ruigen leefstrijd.
Als 'n jochie had Dirk Piet op voorkrat gezet met z'n gewond been voorzichtig tegen den dissel. Krelis, Bolk en Heelis slobberden in den vuilen kar-buik, waar ze neerhurkten opeengedrongen in modder en nog wat rij zen-bossen.
Licht en zeker was Dirk op het krat geklauterd naast Piet, die sprakeloos in koorts vergloeide en huiverde. Gebogen even vooruitstarend in den schemer, met de leidsels in z'n groote handen, zette Dirk aan, de paarden voorttrampelend in halven gang, mistdonkering in. Droef-stil in doodsche rust van avondbosch stofte het karstoetje öp, snijend de hoofdlanen om, op grooten straatweg, gauwer thuis te zijn. Bonk-bonk dreunde de kar daar, in strompelend geratel en gehos en zacht kermde Piet tegen linkerdij van Dirk aangeleund met z'n hoofd op z'n schouer, gloei-kil en huiverend, meehotsend over kuilen, zonder schreiïng, zonder klacht. Zacht-sterk steunde Dirk z'n broer en spraakloos keken elkaar aan de donkere gezichten in den karbuik. Ouë Gerrit alleen, benauwd opgedrukt tegen Bolk en Heelis, bromde zwaar in zichzelf. In het hotsende bonk-bonk van kar klotsten z'n gedachten mee, somber.... Waa's hai d'r nou moar in de ploats van Piet.... want hai sat ook tug an notaris en dokter vast.... hai kon ook tug nie betoale en nou weer 'n cokter bai Piet.... f'r wa da f'rvloekte spul nou weer op sain dak komme mo ?.... die dokter Troost,
die sain s'n duite had afstole bij s'n waif en se aige----en nou
weer bai Piet.... da rooit na' niks.... da rooit na' niks____
En gejaagder klosten mee, op zwaar-dreunenden hobbelgang, gedachten van ouën Gerrit; öm hem, de stille zwoegers, die voortratelden in den donkeren mist-avond.