178
Leege kar kwam rumoer-loom aankreunen van kronkelpad, met loome paarden in donkering ervóór. Krelis schaduwde uit het mistgrauw óp. Langs hem trokken tuinders van alle kanten door het bosch naar huis, zwijgend in het schemergrauw. Doffe groeten klonken zwak tegen elkaar in uit verstilde werkkoppen, óp van uitputting. Tusschen takken-grauw was schemer gezeefd en vreemd klonk soms stemge-rucht van afgedwaalde roepende jongens, die nog niet overal weg wisten in het bosch. Telkens weer donkerden andere kerels voorbij in het zinkende licht, als onderbroken processie, nu en dan samenstappend in de stille mistende donkering van hun pad.
Krelis was naast Piet komen staan. Andere vluchtige kijkers waren doorgeloopen, met meelij-gebaar even hoofden schuddend, onmachtig toch zich wetend. Naast Limmer stonden in 't grauwe geschemer, Bolk en Heelis de voerman. Weer hadden ze Piet op de been geholpen, maar nu schreide ie als een kind zonder schaamte, van woeste brandpijn. Dirk had met Krelis afgesproken, dat Piet maar op de kar vervoerd moest worden, naast hem, op het voorkrat, en zullie met d'r drietjes in den buik, of ze dat goed vonne ? Zwijgend stemden Heelis en Limmer in. Het bloed was weer door het verband gezogen en ouë Gerrit trok er nieuwe lap om, van de kerels. Piet, met angstiger pijntronie, weende. Z'n voeten voelde ie als geroosterd en z'n nu duistere oogen grimden van nog ingetoomde smart. Soms zag ie in één duizeling voor z'n kop, voelde ie weeheid om het hart, sloot ie z'n oogen.
Met donkerder mistgrauwing, was scherper guurte door het bosch getrokken en spraakloos hielpen de mannen, niet meer voelend zwoegpijn van eigen beulerij. Piet moest op het krat getild naast Dirk, die 'm steunen zou. En plots, door den stoet, in schemermist vergrauwd, ging vage weemoed onder de jagende avondwilde lucht, ging rond gevoel, diep besef van ellende-bestaan, kort maar hèvig als 'n snik. In die boscheenzaamheid kroop groot mensch-leed bijeen, lag er even heilig meelij en stildiepe ontroering op de schim-vage gezichten.