174
•en stuifsel, niet tragen nik van zweep-bestriemde jakkerende knollen, kwam er waggeling in de kar, zwenkten de kerels den wagen, zij-wielslag in. Trampelend en hoefketsend sjokkerden de paarden van Rooster naar uitersten pad-rand, met de borsten en koppen in ruw struikgewas verzwolgen. En hoog nü, waggelde in doffe schuren van eikaars lading, Heelis voorbij, met duizend vreezen in het hart van de zwoegers erom, dat de boel nog instorten zou. Angstiger helde en waggelde de kar, toch passeerend achter Rooster, tot ze weer wielvrij op het pad stond. Heelis lachte en zuchtte van blijdschap.
— Seg ! aas je t'met nog eris hier langest komp, spotte Heelis, mo' je eerst fesoenlik tellegrefeere !
— Daa's net lachte de ander, zelf dolblij dat ie er door was.
Begrafenisachtig liepen Krelis en Piet weer achter den wagen
aan, tot Hassel bij 'n boerderij rechtsaf sloeg, gedag morde. De wagen wiebelde verder, in al angstiger dreig-helling, als ie op nieuwe wielsporen wegzakte of zwaar-langzaam, slingerig kantelde over bonkige boomwortels, zoo erg, dat Krelis z'n hart weer vasthield van angst, voor omstorten. —
II.
Sjokkend-traag klepper-klompte Piet alleen terug langs mistige teenenvelden in donkerder uur, miezerig 'n beetje dat ie z'n hooge laarzen niet had aangetrokken vandaag. Sluiperig, in rag nevelgrijs, was damp opgezweefd uit vochtigen grond. Overal rondom 'm weefde boschneveling, toongrauw, met late droeve lucht, omsluipend en verwazend struiken en boomen. Overal rondom droefnis in het teedere mistenweefsel, vergrijzend tegen luchtverte, als land vóór dampige zee. Overal teenenvelden, triest-eenzelvig, met kruislanen, nu en dan gothisch-geopend in zilvering volgerookt. En langs den grond vóór Piet, opstammend de boomen, met droef-smeekend gebaar, even schuchterend te zien in de fijn-grijze rust. Bij hun wortels, groeide violet gewasem, verzwevend langs de zachte mosreu-