175
zen, die te treuren tuurden en droomden in de stilte van hun schorstinten, in den starren weedom van hun eenzaam grijs-week boschgesuizel.
Na drie kwartier stond Piet weer te hakken naast Dirk en ouë Gerrit, die vandaag weer eens was komen kijken, omdat ie z'n jongens niet altijd vertrouwde, al kon 't 'm soms niks meer schelen of ze den rommel verwaarloosden of niet. Geweldiger hakte Piet een zwaren stronk tegen z'n knie, driftiger op z'n vader, die eiken middag met leege handen rond hen heendrentelde en toekeek maar. Scherper hieuw ie om zich heen, hakte en vlijmde ie in de houtwonden, toen plots z'n zwaar kort-stelig hakmes uit de hand schoot, afrinkelde van de stronk en met ijl-scherpen kant-punt bij-zij z'n scheenbeen inkerfde. Met een vloekgil en scheurend huil-geluid sloeg ie over z'n stronk heen, tegen den grond. Dirk keek verbaasd-koel om en de Ouë stapte snel op 'm aan.
— F'rrek, kreun-krampte Piet zacht, smartelijk beef-huilend
van pijn, — Godskristis____godskristis.... kristis waa pain !..
waa hak !
Eén hand, half leun-zittend, drukte ie krampig-bevend op z'n voet; bloed klodderde door de vuile vingers, hoogrood door z'n modderbroek heenstroomend. Langzaam had Dirk z'n hakmes in esch-stomp getrild en koel-verbaasd loomde ie naar Piet toe.
— Wa' nou, goan je d'r bai lègge ? beet ie kort af.
Piet kon niets zeggen, z'n bleeke kop kreunde en met één •elleboog in het grondvuil tusschen stompen en splinters, lag ie in pijnkramp achterover, met z'n hand tegen het been dat doorbloedde, zwaar, in rooie plasjes onder z'n vingers, langs z'n broek. Nou eerst voelde ie, dat ie bloedde, en wilde angst voor dood joeg in 'm op.
— Godskristis, kaik da bloeie____da bloeie____hou teuge....
hou teuge....
Z'n slapen zwollen en z'n oogen, wild rumoerend van angst, zenuwden dol-groot in z'n grauw-wit hoofd. Dirk was achter 'm gaan staan, steunde 'm in den rug, terwijl de Ouë het be-