172
drong, al heviger sjorrend en inpersend de rij zenvracht. Zware modderbonken klonterden en spartelden af van het hout, z'n oogen en diep z'n nek in, dat ie verkronkelde en vloekte. Maar bij eiken nieuwen sjor-ruk regende het weer zwart rijzenvuil over z'n lijf. Met oogen dicht nu, blind gestoven, in woeste werkdrift, bleef ie sjorren en Heelis, van boven, schreeuwde, in furie aanzettend bij eiken ruk : een-tweee.... een-tweee, tot de lading inkromp beneden den boomkruin. In wildere giftrukken sjorde Krelis dóór als waanzinnig. Uit het rijzen-tillen nu, had de windguurte 'm te pakken, die hij killig voelde luwen op z'n wasemend zweetlijf. Heelis boven op, slingerde heen en weer, botste dan naar voren op z'n knieën, lag dan weer lang-uit, heel z'n lichaam, been-gekronkeld over ponder, met doodsnood in z'n gezicht soms, als ie de lading, schuiner zag hellen, bang dat de heele boel zou kieperen en hij eronder smakken.
— F'rrek, Heelis kom d'r af.... 't is mooi genog, schreeuwde Limmer oogen-dicht, woedend op het zandvuil dat ie machteloos moest laten kluiteren óver z'n kop. Heelis klauterde langzaam langs achterkrat af, blij, dat ie eindelijk weer eens vasten grond onder z'n voeten voelde. Op het pad nam ie sjortouw van Krelis over, die z'n oogen vloek-woedend uitwreef.
— Nou, nog effe mit ons twee, hee ? Hij mot nog wel 'n voet sakke.
En weer in worstelend-cyklopische rukken sjorden ze touw-ponder in, dat heupiger uitdijde kar, maar inkromp stapelhoogte. Zenuwachtig knoopte Heelis touwend achter hijsch-blok vast met zware rukken, dwars in 'n knoest.
— Daa's daan, zuchtte ie uit.
Krelis trok zijn jekker weer aan, die tusschen rijzenstapels aan den weg lag, en voerman Heelis haalde z'n jas van de stille paardruggen, ónder de kleur-stervende dekken uit.
— Smeer jullie sain ? schreeuwde Piet Hassel van den weg af.
— Joa!
— Loop mee, m'n kruik vuile, main stroatje lait puur droog !