IÓ2
flitste z'n hakmes weer tegen bovenste stam-end, dat snel z'n rijsvorm kreeg, onder z'n cirkelend weggezwaai en zwikloos geoefend weggekap van dooien takkenhang. — Zoo bleef Dirk, als stille reus in eenzaamheid, werkhitte uitwasemend, uren op uren z'n stammen de lucht inheffend, alle gehakte rijzen neerslingerend op groenige leer-teenen die voor eiken rij zen-bos al klaarlag in 'n knoop. Piet bond juist 'n stapel in, op den grond, luchtig zweef-wippend op de takkerige stammetjes, éénknieig inpersend, in kniewip de rijzen, met de groenige tee-nen|in lus getrokken, snoerend den rommel tot zware bossen bijeen. Telkens als 'n bundel klaar was sjouwde Piet of Dirk'm naar den weg, achter elkaar tot rijzenliok. Langs het pad schokkerden telkens boerekarren, be-ponderd met rijzenvracht, hooiwagenhoog, in waggelkadans, diep doorploegend wielslag van andere tuinderskarren die al beladen werden.
In grijs-neveligen mist en wind-guurte waarde de middag aan door het bosch, waar overal doffer nu, hakgerucht echode, ver en vereenzamend. Aan overkant van het pad, waar Dirk en Piet rijzen hakten laadde Limmer. Twee paarden stonden er triest te lijf-dampen voor donker vergroende boerenkar, omwasemend stil, in suffen staar, d'r droef-lange koppen. Hun slijmerige, schuim-kwijlende bekken, kieuwig week, besabbel-den knabbelend d'r kille gebitten. — Beender-knokelig rekten hun platte ruggen, verdeukt van afbeuling en trekken, en hun schoftenskeletten, in droeve vergrauwing van hun bevlekt vuil-wit vel, stonden omtriest van winterlucht en bronzig struikgewas alom. Langs het zijpad, dreven lanen in licht-zilveren mist, verdiept beboomd in dampig ijl-grijs en fijn ademend achter noenlicht-sluiers, maar droef, droef van stommen weemoed. Als een klagelijk fluitgeluidje in een éven-zwevend triool door de lucht gestreept, zangden soms öp win-terstemmetjes van vogeltjes. En rauw er doorheen, met zwarte onheilspellende opfladdering, kraste kraaienwanhoop door de stille lage lucht. Soms, uit verschuivenden nevel, tintten öp dof-gouïge elzestruiken, roerloos in dooien bladerdos, trieste nasier van herfst-brand, die het bosch doorschroeid had. Even