ZESDE HOOFDSTUK.
Ouë Gerrit had vier houtkoopen gedaan. Vroeg in wintergrauw van land en lucht waren Piet en Dirk erop uitgestapt. De sneeuw in Wiereland was half weggemodderd en overal in Duinkijlc, wraar geen bestrating lag, poelde slijkgrond, doorploegd met sporen van boerenwagens. Ze liepen naast elkaar. Dirk op klompen en Piet met z'n hooge kappen, woest heen-brijend door de slijkpoelen. Zwaar-grauw hing ochtenddamp nog boven de akkers en nauw-woeliger werd de weg naar Beekerbosch, twee uur achter Wiereland, met z'n wilden boom-groei en struiken, verwaasd in ochtendmist. Polderkleiïg diep, zakte de modderweg af naar het bosch, dwars door smalle paadjes, met woesten struikgroei; paadjes, wild verkronkeld en verwoeld in halven wielslag van wagens. Soms in één, uit boompoortig-nauwe laantjes, opende de weg, lagen groen-vale wei-brokken en brons-zware teenenvelden tusschen stronkige struik-glooiingen en duin-woeste bergjes, achter schering afgelijst. De jongens wisten, waar de koop lag. Nummer dertien moesten ze hebben. Piet vond het 'n ongelukskoop, dertien, hij wou er eerst niet aan. Tegen negen uur, toen de ochtenddamp wat weggeneveld was, stonden ze stil voor hun werk, 'n groote plek jong hout, dat omgehakt stronkte. Twee uur hadden ze net van huis gestapt in slijkgrond. Even keken ze staar in de boscheenzaamheid. Overal rondom lag gehakt hout en de stompjes van esschen, oranjig-rood, waar leef sap nog uitvochtte, besprenkelde roestig en wild, als met spatten, dooie ontzetting van takgrauwheid en stronkige knubbeling der jonge boomen, in stuipige groeikramp neergeveld. Piet