!54
glimlachjes, klein-vunzige haatjes. Hartstocht van Klaas om ieders leven omver te halen, er in te grabbelen, grabbelen, als
'n bedelaar in vuilnisbak----En dan van ónder öp moest ie
de boel hebben, er uitzwabberend alles wat afgunst kon knauwen, nijd kon slikken. Dat konkelende grimas, dat heete verlangen om te bekladden, te knauwen, leefde zoo hevig in Klaas, dat ie geen uur 'r zonder kon zijn, of hij voelde zich leeg, onrustig. Als ie niets wist dan maar aan 't verminken van nieuwtjes, die ie zelf gehoord had. Zelfs zou ie ze peperen als d'r niet genoeg brandends aan zat. En dan, rondgaand 't praatje als 'n vuurtje, 't wéér hooren, verminkt, erger altijd, uit andere monden; dat was z'n lust, z'n leven. Dat rondgaan van meid tot jongen, al maller, gemeener. En allemaal onder mekaar zoo, in Wiereland en Duinkijk, waarheidjes rondge-rold en omgekonkeld in lasterpraat. Zoo ieder gekruisigd, beplozen, gehangen of vastgepriemd aan 't spit van hun haastige babbelzucht, geroosterd op 't vuur van hun schroeiend venijn, verlustigend de luisteraars en kijkers in 't spatspel, 't vet dat afdroop van hun lijven. Zoo roosterend, de lucht vol gebrand vleesch en dan smulpapend ieder met gulzige kaak-happen aan het lastermaal. Zoo zat Klaas, als ergste konkeltype met barstend lijf vol venijn en kleine stekelige haatjes, afkammerijtjes en verdachtmaking, stedeke-klein konkelend in eunuke onmachtjes ; zat ie gezwollen van kleine afgunst, kleine indringerijtjes. Kanibaalsch vreugdegekrijsch klonk er om het braadspit van een vastgepriemde ; makabere martel-dans, tegen 't ellende-gejank en gesnik van 't gestoken slachtoffer. ... Maar bij elkaar-gesapt venijn kwam te luchten, afgunst te gloeien. En overal rauw gescheur van vleeschbrokken en bloedgevloei rondom, en lekkende lastertongen, die opzogen het rood-warme vocht.... De volgende week zag ie zichzelf aan 't spit opgepriemd en vermarteld door anderen. Da' wist Klaas, moar toch nooit dood, altijd levend bestaantje van laster en stedeke-afgunst bleef 't. O, Klaas zat vol nog.
— Nou Kees, wa seg jai nou van die hailige Markus in 't Duin, drie keer te kerk per dag.... die faine ! Verduuveld, lachte