!44
Vóór 't huisje van Grint bleef ie staan, trapte ie even tegen de deur. Gouïg lichtschuim glansreepte langs kozijnen, achter rood gordijntje, en stil, in schem'rige middag-donkering, lag daar 'n sneeuw-bevracht huisje, blank-stil, op 't duinpad geduwd met z'n bloedend raamrood, fèl-glanzend tegen 't wit. Dadelijk achter z'n huis had Klaas Grint al z'n grond, z'n bessen, frambozen- en aardbeienakkers 't meest. Grint was de knapste en sluwste tuinder-kleinpachter uit de buurt, 's Winters, zes maanden dóór, zat ie in z'n huiskamer met vier dochters en 'n zoon, aardbei-mandjes te vlechten, uitzuigend en afbeulend z'n kinderen, om te sparen, te sparen. Vrouw Grint maakte Kees open, lachte.
— Kaik?.... daa's Kees!.... Piet is t'r ook, en je neef Hassel van de Kuil....
Al de niet-katholieke vrouwen uit de streek hielden van Kees om z'n reuzig lijf, z'n guitige grijze oogen. Kees bromde wat, recht uit 't gangetje doorloopend naar 't hok, waar gewerkt werd. Vier meisjes hurkten op den grond, naast elkaar, met ruggen tegen den muur gestut, beenen dan rechtuit, dan opgetrokken. Dwars over hen, aan kortere muurzij hurkte Klaas Grint, de tuinderpachter; en bijna op de kachel gedrongen, met z'n beenen tegen z'n vader aan, zat Jan, zoon van Grint, lange bleuïge kerel van achttien. Lui-hangerig stond Piet, naast hurkende Geertje Grint, mooie donkere tuindersmeid met prachtige gloeiende bruine oogen, vol lichtrumoer. Als ze uit 'r bukwerk naar 'm opkeek, sterden 'r uit 'r appels rooie vonkjes, aanhalig en stoei-levendig. Achter Piet weggeduwd in benauwing, stond Jan Hassel, zoon van Dirk Hassel, Gerrits broer, tusschen wie al twintig jaar hevige vijandschap broeide. De neven kenden elkaar bijna niet. Toch werkten ze zomers soms akker aan akker, in duin op Wiereland en loerden ze op dezelfde mooie meiden van Grint. Het vlechthok van Klaas was voor alle soort bloemkweekersknechten, tuinders en losse werkers 'n inloop 's winters, 'n honk waar de kachel brandde, en allicht 'n kop heete leut te slobberen viel. —
Kees, reuzig boven allen uit, was stil in den hurkenden werk-