138
En terwijl de kinders om kruimels morden, muschjesachtig pikkerig en nijdig elkaar bevochten, schillen van geitje elkaar uit de handen trekkend en kijvend om bord van grootvader, die gemorst had, staaroogden Kees en Ant naar zieke Wimpie, als leefde alleen hij. Jammerlijk vaalgroen bleekte z'n kopje in 't schuwe val-licht. Uitgemergeld, als ademend geraamtetje, wrakte broos z'n beenig, puntig zwaar hoofdje op 't slappe nekje, als zou 't breken bij lichtste wending ; bleekten de steen-witte ooren, angstig-groot, ooren van een doodzieke, mager, uitgedroogd, stil-alleen sprekend voor heel het geteisterde kopje. Om z'n puntigen neus holden diepe oogwallen, paarsig, lijkig bleek-groen, 't gezichtje akelig versmallend nog. Z'n vuile hansop liet z'n beentjes uitspaken, latjesplat, recht uit.
Om moeders schoot was als een kring getrokken waar binnen de kinders niet genaakten. Wim's voetjes dwarsten verkromd en ingeduwd van liggewoonte en 't bleeke vel zwabberde geel-plooiïg om de slappe spieren.
Uit de schouw sloeg roetdampige rook neer van takbossen, die nattig knetterden in het walm-mistige vuur. Niemand klaagde van rotstank, rook, valeriaan en ziektebenauwing, in het donkere hok. Ant liet den rommel vervuilen uit woede en uit geaardheid, 't Kon er niks schelen of in d'r ellende de boel verrotte. Niemand zei wat. Ze was afgetobd met 'r kroost. Stank moest maar stank blijven.
Kees had, vóór dat Ant 't Dientje kon zeggen, 't eitje verzorgd en klaargemaakt voor Wimpie. — Op 'n boterham had ie 't voor 'm in kleine stukjes gehapt en weer brokje aan brokje voorzichtig uit z'n mond op 't brood geduwd. Hij was blij, dat er nog meer voor Wimpie stond, in 't achterend. Menschel! uit Wiereland, die meelij met Wimpie hadden, brachten wel ereis wat voor 'm mee. En als Kees zelf iets voor 'm klaarmaakte, had ie hoop, dat Wim nog beteren kon, al trok de dokter met den dag zuurder gezicht. Met kleine hapjes duwde Ant telkens stukjes ei in Wim's mond, die hij traag verkauwde. Heel hoog op 'n teststoof steunden haar beenen in schoot, wijd-uit, en met inspanning nog, zocht ze 'm goed tegen 'r aan