133
II.
Om twaalf uur luidde in vromen galm, Engel des Heeren. Wim sloeg 'n kruisje. Met beverig schrikstemmetje nog, zette hij plots in, toch plechtig z'n toon :
— De Engel des Heere hep an minse geboodskapt.... en ׳sa i hep ontvange van de hailige geest....
Ant was strak naar z'n bed geloopen en met 'n wenk aan de kinders zette ze mee in, zangerig-plechtig, 'n wees-gegroet, in extatische bidhouding.
Even stem-stilte, en zacht uit 't half donkere hoekje, vibreerde Wimpie weer :
— Sien de dienstmoagde des Heere, main geskiede noar u woord....
— Wees gegroet, dreunde weer in, Maria vol genoade.... de Heer is mit u....
Zacht even weer bidstilte en Wimpie weer vooruitschietend :
— En 't woord is vleesch geworde — en 't hep onder ons gewoond....
— Wees gegroet, plechtigden weer in psalmdeun de kinderstemmetjes, met Ant er boven uit, schel:
— Bid f'r ons hailige moeder Gods, op da wai de belofte van Kristus woardig worde.
Alle sloegen, in ooge-dichte strakheid, 'n kruis, murmelden zacht iets na.
Met rooie huiloogen nog, mond, stijf-nijdig dicht weer, begon Ant op klein vuil vierkante tafel, naar 't raam geschoven, 'n paar borden, dof-bonsend van barsten, neer te rammelen. Geen woord had ze meer gezegd na kijfpartij. Onrustig stommelde ,t steenen geluid door de gezonken ruziestilte. Door Dien en Jans was nog wat eigengemaakt brood, groenige schimmelkorstjes en vuile bonkjes deeg, bijeengesnord en tusschen smerige plasjes, op tafel uitgegooid.
De ijzeren pot met gebedelde en gekregen krieltjes was aangesjouwd van de schouw, met 'n vuil pannetje nattige rijst. Ouë