132
Vol van ingelepelde gebeden, vroom en kinderlijk, soms wèg in godsdienstige zielsverrukking, viel Wimpie half in zwijm, begreep ie z'n moeder niet meer, bleef ie stil zitten zonder woord. Zoo was helsch, bij elkaar komen van Kees en Ant door Wimpie, onmogelijk geworden, omdat zij wel voelde dat Kees van Wim hield, maar vast wist, Wim niet van z'n vader, dien vuilen ketter en godskimper ; vast wist dat ie behekst praatte. Zoo was ze ook nu weer naar achterend gehold, nog vol haat en woede, en toch met bang meelij voor Wimpie, die nu weer niet goed begreep, wat ze wou, z'n moeder.
Dientje en Jansje zaten in 't achterend, op 'n rot toonbank je-Met gilstem krijschte Ant naar ze toe :
— Paa's op f'r je foar.... hai hep main en-wille f'rmoorde. ״ hai hep main en wille f'rmoorde.... t'met snait ie jullie allegoar an rieme.... die skafuit.... die godskimper.... die ketter.... Op 't erf hollend, schold ze door nog, naar binnen, tegen de kinders, die van de bank gesprongen waren.
Kees zat naast Wimpie, z'n vuile reuzehand over 't doods-kopje te strijken, zoo zacht, dat ie 't hoofdje bijna niet raakte, niks zeggend. En Wimpie, lag stil met smartgroeven om z'n breeën mond, waarom iets lachen wilde maar niet kon. En over-wijs, als van bijna dood kind, staarden z'n oogen, groot in den schemerhoek.
De ouë Rams had zich niet verroerd. Sneller alleen sisten door de stilte, pruimstraaltjes tegen gloeienden konkelpot op, en grom-zwaar, strompelde van z'n lippen :
— Swaineboel.... swaineboel.
Vroeger had ie veel kranten ingekeken, maar, oproerige kerel als Rams geweest was, hadden de geestelijken 'm verboden te lezen. Nou, op ouën dag versuft, mocht ie alleen nog doorzien roomsch advertentieblaadje uit de streek. Ouë Rams had gehoorzaamd, eerst grimmig, later al toeschietelijker, gromde ie alleen nog maar, zonder nader te zeggen wie en wat ie bedoelde : swaineboel.... swaineboel.