123
van kamer. Mager uitgeknokeld, en schonkig lang, donkerde 'r lijf; gestriemd in zorgelijke kwaadaardigheid, strakte haar gezicht en nijdig in hoek-groeven stramden fijn-sluwe lippen. En toch, zóó, in 'r huiltronie, zaten nog aanhalige trekjes, rond 'r mooien hals, 'r wellust-weeken mond, waasde er méélij en smart-stilte in de mooi grijs-lichtende oogen. Stil blokte ze voor Kees, die zenuwachtig opstond, voelend haar dreigen, niets zei. Uit 'n mandje onder z'n stoel, gooide ie op den vloer de hongerige geit wat aardappelenschillen toe. Gretig rukte 't beestje met dwaas-kleine vreugdesprongetjes naast zich-zelf, aan 't touw dat door de kinders om de stoelpoot van grootva was heengedraaid. Driftig sleurden ze 't diertje naar zich toe, dat 't touw sneed in z'n mager halsje ; z'n bedrukt jodengezichtje benauwde, in zenuwachtige trilling van neus-hoeken ; z'n pootjes zich schrapzetten, glibberend over de ruit-steenen en z'n stem weeker blerde.
Twee kippen drentelden weer door afgerotte erfdeur 't vertrek in, pikkend in schillen van de geit, rondkoekeloerend komisch-verfomfooid op d'r gemak. Dadelijk lichtten drie meisjes de diertjes op en probeerden ze lachend bij den staart vast te houden, zoodat er twéé, schichtig wild over de tafel vlogen in angst, en achter de schouw opdrongen. De grootste kip, zwart-schubbig beest, met fluweelen broek aan, urkig-wijd om z'n dijen slobberend, kukkelde nijdig, vloog met schrik-zware klepper-vleugels op tafel, tusschen bak met broodmeel en wit-vuile, gebroken pannen en kopjes, waar ie statig om heen liep. —
Ouë Rams, zei niks, bromde soms iets, rochelend even, in mummelmond, zat stil-suffig in z'n broeierig, donker haard-hoekje, nou de hoest wat bedaard was, met z'n gezicht naar 't licht gedraaid, dat vaal nog terugsloeg en omduisterde z'n mummiekop. Soms bromde ie opslobberend z'n woorden,
in nattig lippengebeef :----swaineboel----swaineboel, spoog
dan telkens sputterend-raak, bruin tabaksstraaltje tegen gloei-donkeren konkelpot, dat het siste in de kamerduistering.
Ant kookte van woede, dat Kees zoo kalm bleef. Ze had