114
van verdriet.... zou dat nie beter zijn voor 't wurm ?.. .. Dood ?.... dood ?.. .. nee, nee, dat gaf 'm toch gruwbare angst.... Nee, dan zoo maar.. ..
Gejaagd liep ie achterweg af, tusschen dorre hagen en kale tuinderij. Valsche zonneschijn was doorgeschuimd achter roet-blauwe wolkbouwselen. Warme blankheid kwam er kaatsen uit sneeuwgrond.
Wrong-kaal harpten takkronkels van ingekromde lage vruchtboompjes op akkers, sneeuw-bevracht bij plekken, warmblank in oksels en holletjes. Als grimmige spotters, symbolen van wroegende ellende, stonden knotwilgen afgehakt met knuisterige knoesten te dreigen langs de Kloosterlaan, in het valsch-lichtende schittergrijs van roetwolken onder laag zon-lichtstuifsel. Ingekerfd in schors en bultschonken, dreigden ze in korte, ingekrompen naaktheid tegen grauwe hemelzwaarte, als vuisten met armen, woest opgegroeid uit de aarde. En andere weer als schreeuwbekken van krokodillen, dwars vertrokken, als vergramde cyklopen, als spotreuzen tot dwergen vervloekt, in de angst-kronkels van hun afgeknotte stompen en polyp-armen, met een gebaar van helsche wilde woede en helle schater uit hun gekerfde donderende strotten. Weer andere, kromden als koppen, rompbrokken, handen, beenen, grimmige donkere spot-herkulen, verwrongen in stuipgroei, niet afkunnend van hun plaats als verdoemden, vastgeworteld aan den grond, 't stille grauwe kloosterpad, waaromheen sneeuw-tuinderij blinkte; de woedende boomgedrochten schreeuwend om verlossing, in ontzetbren vloek, in hevige gramschap, als voorbij ging menschleven, zonder hulpe. Dan dreigden hun knuisten, hun stille afgebroken knotsarmen, hun bekken, die sperden en razernij spuwden in de winter-stilte. En verderop, rondom de vruchtboompjes, kleiner, in liervormige groeiselen van takkenleed, duldend in verstommend stil gebaar, ver-droevend in 't rondomme sneeuw-blank van kale akkers.
Kees klepperde, grimmiger in stillen hongerwrok voort, dood voor barren winterweemoed rondom, 't Rammelde leeger