io7
— Debies ! zei kort-strak Kees met diepe basstem, vol en trillend, die naklonk 't zijstraatje in.
— Niks om hande ? vroeg Westerling, wel wetend, dat Kees niks had. Geen antwoord gaf ie, voelend 't leutervraagje van den kerel.
— He'k je bai Teunders lest week nie sien ?..
— Twee dage spit.... vaif steek.... was doan.... meskien mo 'k morge raize loa'je...., in 't bosch....
— Nou, k'ep ook nies, spuwde Westerling uit, 'n tabakstraal sputterend op z'n slee....
— Zoo, zei Kees, 'k loop mee....
Verwit lag arbeidswijk, in blink-licht, paarsig sneeuw-blank..
In rommelige wijkjes volgestord van hondengeblaf, dof en hoog verklinkend uit erf-hokken, stonden verschrompelde kerels en vrouwen aan deuren, hier en daar te praten, lxoog-lijvend tegen krotjeslaagte, met dakrand, rakend bijna koppen. Verder op lag recht uit, al recht uit, Roederspad, nauw boom-poortig. En tusschen krot-ingeulingen, steegjes en kronkelige vuile padjes, in een sfeer van teringende ellende, waaruit opwasemden stanken van rotgroenten en karvuil, kwam plots״, inkijk op vergoorde erfjes bloot, waar stapels hout rotten, omhuifd en begraven onder blanke sneeuw, stil-onkenbaar, rommelgrauw van erfjesellende. Soms zwartten en slagschaduwden paarsig op schitterwit, bodembrokken van vaatjes״ donkere mandpunten, ouë stoelpoot en, boomstronken, verbruikte rijzen en treurden ouë lappen en zeilbrokken, triestig en kniezig in 't blank. —
Kees was 'n zijstraatje ingeklost en Westerling liep recht uit, z'n slee slingerend op glibberbaantjes over platgeloopen sneeuw. Op 't Kloosterpad kreunden krotjes, droeviger, wrakker verweerd, als beschimmelde hondenhokken, wegdonkerend tusschen spleetweggetjes, waar nieuwe krotjes-kronkel weer doorheenschroefde, uitloopend op sombere hoog-donkere schuttingen, om moestuinen der heerenhuizen van Baanwijk. Soms rammelde in de dorre gangetjes-grauwte 'n luikje, bleek-blauw, pastellig kleur-teer, met scharnierpiepjes krijschend ; en kled-