ioó
kijkers, die stroopten, vooral uit vraatzucht, bluffend en snorkend, zonder haat en worsteling, tegen ergsten honger, en tegen lui, die 'm beletten te vreten.
Huiverig en koud keek ie uit, overal, waar ie het sneeuw-straatje langs ging. — Z'n nest kinderen, z'n vloekwijf. ... weer niks.. .. ! niks ! wat kon hij 't helpen.
Voor 'n koek- en broodwinkel bleef ie staan, met groote gulzige oogen. Als ie ereis gapte, bom ! weg was 't ! Nee, verrèk, dat kon ie niet van z'n eigen verkrijge. Jezes.... alles doen ! maar dat niet. Aa's se sain grepe.... en dwonge dat brood terug te geve,.. en aa's se sain in z'n nek pakte en meesleurde... Nee, kristus nee, dat kon ie niet hebbe, hij zou ze vermoorde, d'r strot dichtknijpe.... Dan was ie d'r bij voor eeuwig en z'n jonge, z'n lamme kerel.... die daar nou thuis lag, alleen, bij z'n vervloekte moeder.... Nee, doorloope !. ... doorloope !.... en niet kijke, niet kijke.... allegoar kende z'm hier.. .. iedereen had 'm nou in de gate.... nergens naar bakkerij kijke.. .. Je niet vernedere, da se je pakke en uitskelde veur dief.... — Godf'rjenne, dan liever den boel lamrinkele....
Even staan bleef ie weer, met z'n oogen doelloos de grijze lucht instarend. Grauw drukte laag-zwaar de lucht op de tuintjes en huisjes, droef gewolk. In wittige donzing wegge-vlokt blankten de dakjes en gevels. Ingewarmd, in sneeuw, lag stil-vochtig, veilig, bourgeoisstraatje nu voor 'm, met de knussige bepoetste huisjes. De tuintjes er voor, wit besproeid; sierdennetjes en heesters, wit-stil, 't groen verborgen, krom-gekronkeld onder blinkend-stekende sneeuwvracht. En overal, in zij-wijkjes en Beekstraat langs, besneeuwd gepui van kleine huisjes, wit gedak, met zwarte en rooiige pannen-uitpunting, droef-mooi winterstraatje, scherp-blank in grauwlucht, vreemd uitblijend in sneeuwpronk van winterigen treurdag.
Uit Leekerweg, kwam Westerling op 'm aan, met stapel hout op 'n slee.
— Zuinig weertje heé, lamenteerde die goeiig, onprettig zich voelend met Kees' ontmoeting, maar toch even staan-blijvend.