104
wacht daar verscheen, werd 't stil, zakte rumoer, en praatten ze vriendelijk-bangelijk met 'm. Nooit nog had een 'm dronken gezien. Ze zeien dat ie stil zoop, want geen sterveling kon er ooit meer dan één borrel bij 'm inkrijgen. Wierelandsche notabelen en nette burgerij, braaf en verstandig, lachten goeiig-jes, in soos en hoofd-kafé, aan de kletstafel, om dwaas gezwets en gefantazeer van het plebs. Ze vergoorden daar, de onbewuste poëzie van klein-levend volksmassatje, met hoon, hoogwijze knikjes en lachjes. Maar ook zij toch hadden respekt voor den reuzigen, eenzelvigen strooper. Als ze 'm zagen, keken ze den vent na. En nooit dronken ontmoetten ze 'm, nooit sprekend, nooit werkend, in één stil voor-zich-uitturen, met z'n grijze, fel-guitige oogen, ernstig en wreed-strak.
Toch, achterhoeksch volkje, bleef 'm omweven in legendesfeer. Een strooper vertelde, met zwaar-klinkenden ernst, dat ie 'm gezien had, 's nachts bij de Ruïne, in woest hondeweer, met z'n geweer geschouderd, hand aan den trekker loerend, op den duivel. Armelijke verbeelding van katholieke en protes-tantsche jochies, maakten zich onder elkaar van den strooper gedrochts-voorstellingen. Vooral in den winter, 's avonds en 's nachts. Vast waar was 't, dat 't spookte om de hut bij Kees, daar tegen het woeste duin van Duinkijk, ver achter straatweg naar Zeekijk, waar hij al jaren woonde.
Daar, achteruit-geduwd met z'n krot, z'n vrouw en kinderen, in het woeste duinhart, waar geen sterveling in donker den weg wist, gebeurden spokige, beangstigende dingen. Vaders vertelden 't na voor hun kinderen en vooral in katholieke kringen, gingen schriklijke verhalen over moord en geesten, van kind tot kind, elke week wat nieuws, dat de zieltjes er van beefden. En als ze 'm, na zoo'n verhaal, in den avond soms ontmoetten, was 't hun, of z'n lichaam 'n bloedige schaduw vooruitwierp, op de straatjes, te zien nog éven, achter het rossige gaslichtschijnsel.
Kees wist wel, dat er duizend malle praatjes over 'm gingen, dat de katholieken vooral 'm meden, schuw, als 'n ziekte. Maar z'n onverwoestelijke koelheid en strakheid voor 't geleuter