!03
roerloozen lachkop. Kees klapperde voorbij, z'n hoekig-reuzige lijf, in groenig-schimmeligen jekker, loom opkijkend naar jon-genslawaai, los-onverschillig van gang, z'n armen afbengelend langs zwaar gelapte broek. Z'n geestige scherpe kop stond strak-onverschillig. Z'n lippen knepen fijn op elkaar gedrukt; lippen als van 'n visch, dunne snoekige mondlijnen, strak, wreed. — Klos.... klos, klapperde ie door 't fatsoenlijke wijkje, waar elk gezin voor Kees den Strooper bang was. Van de heele plaats tot Kerkervaart toe, ging er roep uit van Kees, Kees durfde alles. Ook 'n moord te doen. Eenigen zeien, dat ie al twee vrouwen vermoord en tien jaar gezeten had. Bange katholieken maakten 'n kruisje als ze 'm zagen aankomen. Weer anderen vertelden, dat ie bij de Ruïne van Braale, 's nachts, twee koddebeyers, die 'm op de hielen zaten, bij 't stroopen, den hals afgesneden, en de bloed-koppen in z'n zak meegenomen had.
Politie en oppassers tartte, bespotte ie, omdat ie sterker nog was, dan Rink van den polder. Niet een uit de plaats durfde met 'm vechten, of om prijzen buksschieten. Geen strooper, die tegen hem kon vangen. Bijna altijd stroopte ie alleen, zonder lichtbak, in stikdonker, soms zelfs met helder maanlicht, want alles tartte ie. En als geen sterveling eruit durfde, de dolste wind door de bosschen gierde, en Satan schaterde ; als heksen op den misthoorn bliezen in sidderenden loei, dat 't bijgeloovige Wiereland, in d'r slaapsteen te beven lag in angst-luistering naar het kokend kraak-gebulder, dat zoo-vanzee, over het stedeke uitraasde, dichter, al dichter bij de plaats, — kwam hij, uit holst van den nacht, met beste vangst, bevend van kou, druipend van regen, maar stil en mor-loos. Ieder hield hem voor 'n gevaarlijken rakker, met den duivel in de ziel. Nooit sprak ie bijna, maar als ie wat zei, was 't raak, hevig, oproerig.
Zoo was er over Kees' doen en leven, door dorp-stadje Wiereland, een legende geweven, waaraan iedereen wat bijsierde. In de kleine havenkroegjes dobbelden en vochten ze er om of ie wèl of niet gesnapt was. En als ie soms heel onver-