VIERDE HOOFDSTUK.
Kees Hassel, of Kees de Strooper, zooals oudste zoon van Gerrit overal genoemd werd, bij Wierelandsch en Duinkijksch volk, klomp-klapperde over deftig-stille Beekstraatje van 't stedeke. Het nauwe, stille straatje, waar vierkantjes en netjes knussige huisjes van fatsoenlijke burgerij nestelden, lag nog in slaperige ochtend-stilte. Van hoek- en dwarsstraatjes uit, ratelde soms 'n boerenkar aan, met mest of rijzenlading. Twee kerels achter 'n groentenkar bonkerden juist de stille straatkromming in, uitglibberend achter hun wagen op ijzeligen grond, 'n Paar werklooze tuindersjongens, kwamen plots 'n zij weg je uithollen, schreeuwend 't straatje vol met stemlawaai, staan-blijvend voor drogisterij. Ze gierden, bij 't plan, den Gaper, die suf z'n tong uitstak, mal lachend onder z'n kleurigen tulband, den mond dicht te kwakken met sneeuwballen. Z'n rooie holtemond kwijlde de ballen uit. 't Was of z'n keel vol borrelde met schuim en z'n oogen, goliath-groot, angstiger sperden van benauwing.
— F'rsjue Jaan, hai hep t'met nog honger.... schaterde één, met twee zwarte, ingekneusde sneeuwballen klaar, om te gooien, springend van lol, alsof ie op gloeiende platen te dansen stond.
Weer bonkte 't raak tegen rooien kokkert van Gaper, en wezenloos, z'n stommen lachmond, breed, als scheur in rauw vleesch, met schuim op bloed-rooie lippen druipend, bleven staren, z'n angst-oogen ; plakten sneeuwbrokken op neus-kromming, dwaas en klownig.
Ze gierden, de straatjongens, al doller grimassend vóór den