101
een zijweg van polderpad langs, langzaam, in hevig geslinger, angstig-rakelings langs slootkant.
Stilte was nu geweven.... Van ver klonk telkens aan, melancholiek gegalm van Rink's zangstem over doodstille wei, oneindig in vlokkendans verschemerd. Droef klonk dóór, zwaar-klagelijk en dronkemansteeder z'n lied :
Ik bin moar.... 'n swainke.... allain stoan 'k hieeeer!
Allain op de weijrelt____ mi-sonder pelsieeer....
Piet, alleen sprekend bij lantaarnpaal, was ingezakt, wroette op de straat in 't slijknat, kon zich niet meer op z'n beenen hijschen. Zachte redenaties hield ie tegen de steenen, met z'n gezicht in den sneeuwmodder.
Eindelijk kwam erbarming ; werd weggedragen z'n stinkend lijf door twee agenten met kleintje aan 't hoofd.
Stil nu lag haventje weer, in rossigen schemer, doodstil. Onder allééne lantaarn vlokte gesneeuw, vergouend in gasvlam, en schepen, verwitten hoog tegen spokigen spoordijk op, waarachter schimmig deinde, sneeuw-schemer van polderende wei-zee.